ECLI:NL:RBDHA:2024:1727
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning bij familie wegens ontbreken meer dan gebruikelijke afhankelijkheid
Eiseres, een Britse tandarts geboren in 1991, verzocht om een verblijfsvergunning om bij haar vader in Nederland te verblijven. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat er volgens hem geen familieleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro bestond, aangezien er geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen eiseres en haar vader was.
De rechtbank oordeelde dat de juiste toets, namelijk artikel 8 EVRM Pro, was toegepast en dat het beroep op het Terugtrekkingsakkoord Brexit niet relevant was voor deze aanvraag. Hoewel eiseres financieel en emotioneel ondersteund wordt door haar ouders, concludeerde de rechtbank dat dit niet voldoende is voor een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, mede omdat eiseres zelfstandig kan voorzien in haar levensonderhoud.
De rechtbank constateerde een motiveringsgebrek omdat de staatssecretaris niet had beoordeeld of de scheiding van eiseres en haar moeder, met wie zij samenwoont, in strijd zou zijn met artikel 8 EVRM Pro. Dit gebrek werd echter gepasseerd omdat ook tussen eiseres en haar moeder geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheid bestond.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie.