Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2024:17424

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 oktober 2024
Publicatiedatum
25 oktober 2024
Zaaknummer
C/09/672808 / JE RK 24-1694
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking kinderrechter ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige

De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt een ondertoezichtstelling van de minderjarige voor de duur van een jaar en een machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. De minderjarige vertoont ernstig zorgelijk gedrag, waaronder emotieregulatieproblemen, agressie, schoolverzuim en verslavingsproblematiek. De moeder is belast met het ouderlijk gezag maar onvoldoende in staat om de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen.

Tijdens de mondelinge behandeling was de moeder met haar advocaat aanwezig, de vader was correct opgeroepen maar niet verschenen. De gecertificeerde instelling stemt in met het verzoek en geeft aan dat de minderjarige momenteel verblijft in een crisisplek en een aangepast leertraject volgt. Er wordt gewerkt aan relatieherstel en verslavingsbehandeling.

De kinderrechter oordeelt dat aan de wettelijke criteria van artikel 1:255 BW Pro is voldaan en dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing worden toegekend om de minderjarige de benodigde hulp te bieden en de relatie met de moeder te verbeteren. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld.

Uitkomst: De minderjarige wordt onder toezicht gesteld voor een jaar en krijgt een machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/672808 / JE RK 24-1694
Datum uitspraak: 10 oktober 2024
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te 'sGravenhage,
hierna te noemen: de Raad,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. D.J. Prins te Leiden;
Jeugdbescherming West Haaglanden, gevestigd te ’s-Gravenhage,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 20 september 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- [naam 1] namens de Raad;
- [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
[de minderjarige] is erkend door de vader.
2.2.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.3.
[de minderjarige] verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 1 augustus 2024 [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 23 oktober 2024 alsmede voor dezelfde duur een machtiging verleend om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de duur van een jaar.
Tevens verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van zes maanden.
De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [de minderjarige] wordt ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. [de minderjarige] heeft namelijk problemen op het gebied van emotieregulatie en vertoont boos en agressief gedrag. Daarnaast heeft hij moeite met het volgen van regels. Hij is in het verleden regelmatig weggelopen en kan zichzelf in onveilige situaties brengen doordat hij boos kan worden op vreemde mensen. Verder is het zorgelijk dat [de minderjarige] vervolgd wordt voor een fietsendiefstal en dat hij omging met verkeerde vrienden. Daarnaast is het kwalijk dat er sprake is van schoolverzuim en dat [de minderjarige] zes joints per dag rookt om rustig te blijven. Zonder een juiste behandelvorm kan niet worden gewerkt aan het verwerken van zijn verleden en het leren van goede copingsmechanismen. Het is niet mogelijk gebleken om de benodigde hulpverlening in een vrijwillig kader te bieden, omdat de moeder bereid maar onvoldoende in staat is om onder eigen verantwoordelijkheid de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Tijdens de ondertoezichtstelling moet worden gewerkt aan het positief afronden van behandeltrajecten, het verwerken van ingrijpende gebeurtenissen en het vergroten van [de minderjarige] zelfstandigheid. Naar aanleiding van wat de gecertificeerde instelling en de moeder naar voren hebben gebracht, is het bovendien van belang dat wordt gekeken naar de oorzaak van [de minderjarige] gedrag. De thuissituatie bij de moeder was niet langer houdbaar door het opstandige gedrag van [de minderjarige] en een verkeerd gedragspatroon met de moeder. Een uithuisplaatsing is noodzakelijk zodat zowel [de minderjarige] als de moeder tot rust kunnen komen en kunnen werken aan relatieherstel. Hoewel [de minderjarige] het afgelopen jaar nog anderhalve maand bij de vader heeft verbleven, is deze relatie verstoord en is verblijf bij de vader zonder gezag geen mogelijkheid. Gelet op het voorgaande is een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing noodzakelijk. Hierbij is een periode van zes maanden voor de uithuisplaatsing een overzienbare termijn voor [de minderjarige] .

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder wordt geen verweer gevoerd tegen het verzochte. De moeder heeft aangegeven dat er de afgelopen periode veel is veranderd voor [de minderjarige] . De moeder vindt het goed dat zij nu niet meer bij elkaar wonen, omdat zij beide tot rust kunnen komen en over dingen uit het verleden kunnen praten wanneer [de minderjarige] bij haar en zijn zus eet. Hierbij heeft de moeder gereflecteerd op haar eigen gedrag en hoe dit invloed had op [de minderjarige] gedrag. Bij een voortraject van de Brijder krijgt [de minderjarige] psychologische hulp en de moeder hoopt dat hierdoor zijn hoofd leger wordt en hij hierdoor beter aan de behandeling voor zijn verslaving kan meewerken. Desgevraagd geeft de moeder aan dat [de minderjarige] momenteel weinig contact heeft met zijn vader.
4.2.
De gecertificeerde instelling stemt in met het verzoek van de Raad. De crisisplek bij Jeugdformaat in Rijswijk waar [de minderjarige] nu zit, kan - indien er plek is - een reguliere plek worden in Den Haag. Het gaat goed met [de minderjarige] op de groep. Hij is beleefd en heeft contact met groepsgenoten, maar hij heeft wel moeite om zich aan de regels te houden en vertoont hierbij hetzelfde gedrag als bij de moeder. [de minderjarige] is aangemeld voor een gecombineerd traject voor verslaving en emotieregulatie bij de Brijder. In de tussentijd kan hij gesprekken voeren met een psycholoog. Door inzet van FAST systeemtherapie zal worden gewerkt aan het verbeteren van de relatie tussen [de minderjarige] en zijn moeder. Ook volgt [de minderjarige] sinds kort een aangepast leertraject, maar het lukt hem nog niet om zich voldoende aan de afspraken te houden.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, BW).
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. [de minderjarige] wordt ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. [de minderjarige] heeft moeite met het verwerken van zijn belaste verleden en met het beheersen van zijn emoties. Hierdoor laat [de minderjarige] zorgelijk gedrag zien waarbij hij moeite heeft met het volgen van regels, strafbare feiten pleegt, veel blowt en ruzie maakt met zijn moeder. Daarnaast is er sprake van veel schoolverzuim. [de minderjarige] brengt zichzelf in onveilige situaties als hij wegloopt of boos reageert op vreemden. Het is belangrijk dat deskundigen onderzoek zullen doen naar de oorzaak van [de minderjarige] gedrag zodat passende hulpverlening kan worden ingezet. Ook moet [de minderjarige] verslavingsproblematiek worden aangepakt. Het is niet meer mogelijk om deze problematiek in een vrijwillig kader op te lossen, omdat de moeder onvoldoende in staat is om [de minderjarige] te begrenzen en de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. Het is van belang dat een jeugdbeschermer erop kan toezien dat [de minderjarige] de benodigde hulpverlening krijgt. Het aanpakken van de problematiek is niet mogelijk bij de moeder thuis, omdat dit zorgt voor te veel druk op de moeder waardoor zij in verkeerde patronen vervalt met [de minderjarige] en hun relatie verslechtert. Het is goed om te zien dat de moeder nu haar aandeel hierin ziet en hier met [de minderjarige] aan wil werken middels systeemtherapie.
5.3.
De kinderrechter zal daarom [de minderjarige] onder toezicht stellen voor de duur van een jaar en een machtiging uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van zes maanden verlenen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [de minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van 10 oktober 2024 tot 10 oktober 2025;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 10 oktober 2024 tot 10 april 2025;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2024 door mr. M.P. Meeuwisse, kinderrechter, in aanwezigheid van M.I. Klijn als griffier, en op schrift gesteld op 24 oktober 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.