Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op hun aanvraag van 7 september 2023 om een machtiging tot voorlopig verblijf als familie- of gezinslid in het kader van nareis.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten zonder zitting, met instemming van partijen. Eisers kregen vrijstelling van griffierecht. De rechtbank constateert dat de minister de beslistermijn van 90 dagen, vermeerderd met een verlenging van drie maanden, heeft overschreden en dat eisers de minister rechtsgeldig in gebreke hebben gesteld. Het beroep is daarom gegrond.
De rechtbank past het fifo-principe toe, waarbij de minister de aanvraag pas in februari 2025 in behandeling kan nemen, en legt een nieuwe beslistermijn tot 2 mei 2025 op. Voor elke dag overschrijding van deze termijn moet de minister een dwangsom van €100 betalen, met een maximum van €7.500. De reeds verbeurde dwangsom wordt vastgesteld op €1.442. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van €437,50.
De uitspraak vernietigt het besluit van niet tijdig beslissen en draagt de minister op binnen de gestelde termijn alsnog een besluit te nemen. Eisers kunnen tegen deze uitspraak binnen vier weken beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.