ECLI:NL:RBDHA:2024:17463
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid ophouding vreemdeling op grond van Vreemdelingenwet 2000
Eiser heeft beroep ingesteld tegen zijn ophouding op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2024 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet aanwezig waren. De minister van Asiel en Migratie werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Eiser stelde verschillende beroepsgronden aan de orde, waaronder de geldigheid van de ondertekening van de ophouding, het ontbreken van stukken uit het strafrechtelijke voortraject en het niet vermelden van het tijdstip waarop de ophouding is beëindigd. De rechtbank heeft deze gronden stuk voor stuk beoordeeld en verworpen.
De rechtbank stelde vast dat de ophouding geldig was ondertekend en dat het dossier voldoende stukken bevatte om de rechtmatigheid te toetsen. Hoewel het proces-verbaal van ophouding niet expliciet vermeldde wanneer de ophouding eindigde, bleek uit een ander proces-verbaal dat eiser binnen de wettelijke termijn van zes uur werd heengezonden.
De rechtbank concludeert dat de ophouding rechtmatig was en verklaart het beroep ongegrond. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het beroep tegen de ophouding van eiser wordt ongegrond verklaard omdat de ophouding rechtmatig was.