Eiser, een Palestijnse vreemdeling, werd op 18 oktober 2024 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De maatregel werd op 22 oktober 2024 opgeheven vanwege zijn overdracht aan de Spaanse autoriteiten.
De rechtbank beoordeelde of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was geweest. Hoewel in het proces-verbaal abusievelijk werd vermeld dat eiser geen rechtmatig verblijf had, was dit een kennelijke verschrijving, aangezien de Dublinverordening op eiser van toepassing was. De rechtbank oordeelde dat de ophouding en bewaring niet onrechtmatig waren.
Verweerder had meerdere zware gronden voor de bewaring aangevoerd, waarvan één werd laten vallen. De rechtbank vond dat de overige zware gronden, waaronder het niet meewerken aan overdracht en het risico op onderduiken, voldoende waren gemotiveerd en feitelijk juist. Eiser betwistte deze gronden, maar dit leidde niet tot een andere conclusie.
Eiser voerde aan dat de bewaring te lang duurde en dat een lichter middel passend was, mede vanwege zijn medische situatie. De rechtbank vond dat verweerder voortvarend had gehandeld en dat een lichter middel niet effectief zou zijn geweest. Ook was er geen bewijs dat de bewaring onredelijk bezwarend was.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.