AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep gegrond tegen niet tijdig beslissen op aanvraag vreemdelingenrecht
De rechtbank Den Haag heeft op 28 oktober 2024 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser beroep instelde tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag van 5 april 2023. De rechtbank oordeelde dat de minister van Asiel en Migratie niet binnen de wettelijk gestelde termijn van zes maanden had beslist en dat eiser de minister rechtsgeldig in gebreke had gesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep kennelijk gegrond en bepaalde dat de minister binnen vier weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Tevens werd een bestuurlijke dwangsom opgelegd van €100 per dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van €7.500. De reeds verbeurde dwangsom werd vastgesteld op €1.442.
Daarnaast veroordeelde de rechtbank de minister tot vergoeding van de door eiser gemaakte proceskosten van €437,50 en het betaalde griffierecht van €187. De uitspraak werd gedaan zonder zitting, conform artikel 8:54 vanPro de Awb, vanwege de kennelijke gegrondheid van het beroep.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt de minister op binnen vier weken alsnog een besluit te nemen, met een dwangsom bij overschrijding.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/9714
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 oktober 2024 in de zaak tussen
[naam], eiser,
v-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. W. de Vilder),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Overwegingen
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van 5 april 2023.
2. Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
3. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.
4. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
5. De minister moet uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen. De rechtbank stelt vast dat deze termijn is verstreken, dat eiser de minister rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien meer dan twee weken zijn verstreken.
6. Het beroep is daarom kennelijk gegrond.
7. Omdat de minister nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de minister dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de minister dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven. Uit de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2020 volgt dat bij het bepalen van de lengte van de nadere termijn de zorgvuldigheid van de besluitvorming zwaar weegt. De rechter mag geen termijn stellen waarvan op voorhand vaststaat dat het bestuursorgaan die niet kan halen zonder onzorgvuldig te werk te gaan. De rechtbank is bekend met de grote achterstanden bij het beslissen op aanvragen en bezwaarschriften bij de minister. In het verweerschrift heeft de minister verzocht om een nadere beslistermijn van vier weken. Daarom zal de rechtbank bepalen dat de minister binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend dient te maken op de aanvraag van eiser.
8. Met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden door de minister. Daarbij geldt een maximum van € 7.500,-.
9. Op verzoek stelt de rechtbank de hoogte vast van de bestuurlijke dwangsom die de minister op grond van afdeling 4.1.3 van de Awb verschuldigd is. Eiser heeft verzocht deze dwangsom vast te stellen. Omdat meer dan 42 dagen zijn verstreken na de dag als bedoeld in artikel 4:17 vanPro de Awb, stelt de rechtbank de verbeurde dwangsom vast op
€ 1.442,-.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, de minister vier weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan de minister een dwangsom wordt opgelegd. De rechtbank stelt ook de door de minister verschuldigde bestuurlijke dwangsom vast.
11. De rechtbank veroordeelt de minister in door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde van € 875,- en een wegingsfactor 0,5). Ook moet de minister het betaalde griffierecht aan eiser vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt de minister op om binnen vier weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van
€ 7.500,-;
stelt de hoogte van de door de minister aan eiser verschuldigde dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 vanPro de Awb vast op € 1.442,-;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiser te vergoeden;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 437,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. B.A. Smit, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.