ECLI:NL:RBDHA:2024:1756

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 februari 2024
Publicatiedatum
15 februari 2024
Zaaknummer
NL24.3111
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 5.1b derde lid Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.1b vierde lid Vreemdelingenbesluit 2000Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling met zicht op uitzetting Burundi ongegrond

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vreemdeling met de Burundische nationaliteit tegen een maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De maatregel was gebaseerd op zowel zware als lichte gronden, waaronder het niet op de juiste wijze binnenkomen van Nederland, het onttrekken aan toezicht, onvoldoende medewerking aan vaststelling identiteit, en het niet naleven van terugkeerverplichtingen.

Eiser betwistte de gronden niet, maar voerde aan dat er geen zicht op uitzetting was en dat een lichter middel, zoals een meldplicht, had moeten worden toegepast. De rechtbank oordeelde dat de gronden feitelijk juist en voldoende toegelicht waren, en dat het enkele feit dat eerdere uitzettingspogingen niet slaagden niet betekent dat er geen zicht op uitzetting is. De diplomatieke vertegenwoordiging van Burundi gaf aan laissez-passer af te geven, waardoor terugkeer mogelijk is.

Verder was de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris voldoende had gemotiveerd waarom een lichter middel niet doeltreffend was, mede omdat eiser geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en het risico op onttrekking aan toezicht en belemmering van de uitzettingsprocedure aanwezig is.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.3111

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. B.J. Manspeaker),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. G. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 7 februari 2024 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder is een tolk verschenen.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Burundische nationaliteit te hebben.
De maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden [2] vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden [3] vermeld dat eiser:
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
3. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat de zware en lichte gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht, zodat deze aan de maatregel ten grondslag konden worden gelegd en de maatregel ook kunnen dragen.
Zicht op uitzetting
4. Eiser voert aan dat geen sprake is van zicht op uitzetting. Eerdere pogingen om eiser uit te zetten hebben nergens toe geleid. Dat eiser op zijn telefoon een foto heeft van een identiteitsdocument, maakt niet dat er nu zicht op uitzetting is. Dit document is namelijk van eisers broer en is 23 jaar geleden afgegeven.
5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat geen sprake is van zicht op uitzetting naar Burundi. Het enkele feit dat eiser in het verleden niet is uitgezet maakt niet dat op voorhand zicht op uitzetting op dit moment ontbreekt. Naar aanleiding van de foto van het Burundische identiteitsdocument op eisers telefoon en de verklaring van eiser dat hij uit Burundi komt, heeft verweerder terecht aanleiding gezien om een lp [4] -aanvraag in te dienen bij de ambassade van Burundi. Verweerder heeft in zijn brief van 6 februari 2024 toegelicht dat de diplomatieke vertegenwoordiging van Burundi lp’s afgeeft en dat zowel zelfstandige als gedwongen terugkeer naar Burundi mogelijk is. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
6. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte geen lichter middel heeft toegepast. Eiser is iedere dag in de Pauluskerk in Rotterdam en was dan ook bereikbaar. Verweerder had daarom een meldplicht moeten toepassen.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom geen lichter middel doeltreffend kan worden toegepast. In dat kader acht de rechtbank van belang dat hiervoor is overwogen dat uit de gronden van de maatregel het risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen en belemmering of ontwijking van de uitzettingsprocedure volgt. In de omstandigheid dat eiser dagelijks in de [naam kerk] is, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om een lichter middel toe te passen. Verweerder heeft terecht overwogen dat dit geen vaste woon- of verblijfplaats is, zodat niet kon worden volstaan met een meldplicht.
Ambtshalve toets
8. Voor het overige ziet de rechtbank ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
4.Laissez-passer.