ECLI:NL:RBDHA:2024:17570
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige identiteit en motieven
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een Algerijnse asielzoeker tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag door de minister van Asiel en Migratie. De minister had de aanvraag op 13 augustus 2024 als kennelijk ongegrond afgewezen vanwege onvoldoende geloofwaardigheid van de identiteit en de onderliggende asielmotieven.
Eiser stelde dat hij vanwege zijn Berber-nationaliteit, een geheime relatie met een vrouw en dreiging door haar familie, alsmede een oproep voor militaire dienst, internationale bescherming nodig had. De rechtbank oordeelde dat de identiteit van eiser niet geloofwaardig was omdat hij geen origineel paspoort kon overleggen ondanks meerdere kansen, en zijn verklaringen hierover wisselend en tegenstrijdig waren. Ook de overige motieven werden als ongeloofwaardig beoordeeld vanwege gebrek aan samenhang, inconsistenties en onvoldoende bewijs.
De rechtbank volgde de minister in het oordeel dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vreemdelingenwet en dat er geen reden was om hem het voordeel van de twijfel te geven. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor eiser niet in aanmerking komt voor een asielvergunning en Nederland binnen vier weken moet verlaten.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond.