ECLI:NL:RBDHA:2024:17571
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voogdij belast bij gecertificeerde instelling na overlijden moeder en gezagsvacuüm
Na het overlijden van de moeder is er een gezagsvacuüm ontstaan over de minderjarige. De vader heeft het gezag nog niet kunnen verkrijgen, waardoor dringende noodzaak bestaat voor een voorlopige voogdij om de belangen van de minderjarige te waarborgen.
De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht de gecertificeerde instelling met de voorlopige voogdij te belasten. De minderjarige heeft een fysieke beperking en heeft recent een spoedoperatie ondergaan, waardoor het noodzakelijk is dat medische beslissingen kunnen worden genomen.
De vader stemt in met het verzoek en wil zelf het gezag verkrijgen. De gecertificeerde instelling heeft de voorlopige voogdij aanvaard en is bereid deze voort te zetten. De kinderrechter acht het dringend en onverwijld noodzakelijk om de voogdij aan de gecertificeerde instelling toe te wijzen totdat het gezag definitief is geregeld.
De voorlopige voogdij geldt tot 10 januari 2025, tenzij eerder een voorziening in het gezag wordt getroffen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld.
Uitkomst: De gecertificeerde instelling wordt belast met de voorlopige voogdij over de minderjarige vanwege het gezagsvacuüm na het overlijden van de moeder.