ECLI:NL:RBDHA:2024:17608
Rechtbank Den Haag
- Bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding
Eiser, een Senegalese nationaliteit, verzocht om een visum voor kort verblijf om familie en vrienden te bezoeken en vanwege culturele doeleinden. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af op grond van artikel 32 van Pro de Visumcode, omdat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij over voldoende middelen van bestaan beschikte en dat zijn terugkeer naar Senegal gewaarborgd was.
De rechtbank oordeelde dat de minister een ruime beoordelingsmarge heeft en dat het aan eiser was om de sociale en economische binding met Senegal aannemelijk te maken. Eiser had geen objectief verifieerbare stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn relatie met de referente, en de minister mocht daarom de relatie onvoldoende geacht hebben.
Daarnaast werd geoordeeld dat het enkel volgen van een studie onvoldoende economische binding vormt en dat eiser geen zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen in Senegal had. De minister mocht concluderen dat er redelijke twijfel bestond over het voornemen van eiser om tijdig terug te keren. De minister hoefde eiser niet te horen vanwege het kennelijk ongegronde bezwaar. Het beroep werd ongegrond verklaard en het visum niet toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende sociale en economische binding met het land van herkomst.