Eisers zijn sinds 1992 eigenaar en bewoner van een perceel met erfdienstbaarheden die hen toegang geven tot een waterplas. Gedaagden voerden in maart 2024 werkzaamheden uit waardoor de toegang tot de waterplas werd bemoeilijkt, onder meer door verwijdering van een steiger en het aanbrengen van los granulaat op het talud.
Na de mondelinge behandeling herstelden gedaagden de steiger en plaatsten een trap, waarna eisers hun vorderingen op dat punt introkken en zich beperkten tot het verbod op toekomstige belemmeringen van de erfdienstbaarheden. De voorzieningenrechter oordeelde dat dergelijke toekomstige, niet nader geconcretiseerde belemmeringen niet in kort geding kunnen worden toegewezen, zeker niet zonder duidelijke aanwijzingen dat deze dreigen.
De vorderingen werden daarom afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang. De proceskosten werden gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.