Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. L.S. Hartog).
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
Eisers, een moeder en haar minderjarige dochter met de Belarussische nationaliteit, werden op 28 augustus 2024 in vreemdelingenbewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie. De bewaring vond plaats op grond van concrete aanwijzingen voor overdracht aan Polen volgens de Dublinverordening en het risico dat eisers zich aan toezicht zouden onttrekken. Eisers betwistten de bewaring en stelden dat een lichter middel, zoals plaatsing in een vrijheidsbeperkende locatie, passend was, mede vanwege de minderjarige dochter.
De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende had gemotiveerd waarom een zwaardere maatregel noodzakelijk was, gezien het risico op ontsnapping en het niet vrijwillig meewerken aan vertrek naar Polen. Ook werd meegewogen dat de belangen van de minderjarige dochter zorgvuldig waren afgewogen, met aandacht voor haar medische omstandigheden en het belang bij verblijf bij haar moeder. De duur van de bewaring was kort, van 28 augustus tot 9 september 2024, en de minister handelde voortvarend.
De rechtbank concludeerde dat de bewaring niet onrechtmatig was en dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om schadevergoeding werd daarom eveneens afgewezen. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.