ECLI:NL:RBDHA:2024:17736

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 oktober 2024
Publicatiedatum
31 oktober 2024
Zaaknummer
NL24.38229
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 4 EU-HandvestArt. 17 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser, van Syrische nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel, welke door de minister niet in behandeling werd genomen omdat Kroatië verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening.

Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten onrechte werd toegepast vanwege ernstige tekortkomingen in Kroatië, zoals push-backs en ontoereikende opvangvoorzieningen. De rechtbank verwees naar een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin werd bevestigd dat de minister het vertrouwensbeginsel mag toepassen en dat geen aannemelijk risico bestaat op schending van fundamentele rechten bij terugkeer naar Kroatië.

De rechtbank concludeerde dat de door eiser aangevoerde rapporten geen nieuwe of andere informatie bevatten die aanleiding geeft tot afwijking van het eerdere oordeel. Ook ontbraken persoonlijke omstandigheden die een uitzondering op de overdracht naar Kroatië rechtvaardigen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de minister mocht de aanvraag terecht niet in behandeling nemen.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: NL24.38229
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J. Sinnema),

en

de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovács).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1999. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 1 oktober 2024 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 22 oktober 2024 op zitting behandeld. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht vooraf, niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere
lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.
Mag de minister voor Kroatië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiser heeft gesteld dat de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat zij mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginstel wat betreft Kroatië. De tekortkomingen zijn daar te ernstig, onder andere wat betreft push-backs en opvangvoorzieningen. Hij heeft daarbij aangegeven dat voor zijn zaak belangrijk is wat de uitkomst zal worden van de zaak die op 28 augustus 2024 bij de Afdeling is behandeld.
6. De rechtbank overweegt als volgt. In de zaak die eiser bedoelt heeft de Afdeling op 9 oktober 2024 uitspraak gedaan.2 Hierin heeft de Afdeling geoordeeld de minister bij de toepassing van de Dublinverordening voor Kroatië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt dat hij bij terugkeer naar Kroatië terechtkomt in een situatie die in strijd is met artikel 4 van Pro het EU Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM.
7. In deze uitspraak is de tot dan toe meest recente informatie bij de beoordeling betrokken. Centrale punten hierbij zijn dat er geen concrete informatie is dat ook Dublinclaimanten worden blootgesteld aan push-backs en dat de opvangvoorzieningen in grote lijnen voldoen aan de van toepassing zijnde internationale maatstaven.
8. In de onderhavige zaak heeft eiser zich in overgrote mate op de informatie beroepen op informatie die door de Afdeling in bovengenoemde uitspraak is meegewogen. Het betreft onder meer het AIDA (Asylum Information database) rapport van 10 juli 2024 en het rapport van Solidarité Sans Frontières van 28 juni 2023. De rechtbank ziet geen aanleiding om hierin anders te oordelen dan de Afdeling op basis van deze informatie heeft gedaan.
9. De informatie die niet expliciet is genoemd en door eiser wel naar voren is gebracht, zoals die van de Danish Refugee Council van juni 2024, de Border Violence Monitoring Network van 25 september 2023, het bericht van Amnesty International van 24 april 2024 en van de Swiss Refugee Council van december 2021, bieden geen grondslag voor een ander oordeel. Zo betreft de aangehaalde informatie uit het rapport van de Danish Refugee Council met name informatie over 2022 en 2023 en net als de genoemde berichten van Amnesty International en de Border Violence Monitoring Network geeft die geen nieuwe of andere informatie over het risico op push-backs voor Dublinclaimanten. Ook hierin heeft de rechtbank hiervan geen gedocumenteerde gevallen aangetroffen van Dublinclaimanten die met een push-back te maken hebben gekregen.
10. Wat betreft de opvangvoorzieningen, inclusief de zorgfaciliteiten heeft eiser geen nieuwe actuele informatie overgelegd, die niet in de beoordeling door de Afdeling is betrokken. In de stelling die eiser daarover heeft betrokken ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor een ander oordeel dan de Afdeling heeft gegeven.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
11. De conclusie van de rechtbank is dat de minister ten aanzien van eiser heeft mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister mag er daarom van uitgaan dat Kroatië de internationale verplichtingen nakomt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister de asielaanvraag van eiser onverplicht aan zich moeten trekken?
12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om de aanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De minister heeft terecht geconcludeerd dat niet is gebleken van (gestelde) familieleden met wie eiser een bijzondere band heeft en dat de asielprocedure niet is bedoeld voor reguliere verzoeken om bij gezinsleden te kunnen verblijven.
12. Daarnaast is niet gebleken van persoonlijke ervaringen van eiser die ertoe zouden nopen overdracht naar Kroatië wegens onevenredige hardheid achterwege te laten. Ervan afgezien dat niet aannemelijk is geworden dat eiser onrechtmatig drie dagen is vastgehouden, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat zijn ervaringen in Kroatië zodanig ernstige gevolgen voor hem hebben gehad, dat van hem niet kan worden verwacht dat hij daarheen terugkeert. Voorts is niet gebleken van noodzakelijke zorg die aan hem niet in Kroatië kan worden gegeven. Eisers beroepsgrond slaagt dus niet.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel op goede gronden niet in behandeling heeft genomen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.M. van de Wijdeven, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
29 oktober 2024

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.