ECLI:NL:RBDHA:2024:17761

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 oktober 2024
Publicatiedatum
31 oktober 2024
Zaaknummer
NL24.41096
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b derde lid Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.1b vierde lid Vreemdelingenbesluit 2000
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000

Eiser, een Roemeense nationaliteit dragende vreemdeling, is op 21 oktober 2024 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege het risico dat hij zich aan het toezicht zou onttrekken.

De rechtbank stelde vast dat eiser zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving aan het toezicht had onttrokken, geen rechtmatig verblijf had en geen vaste woon- of verblijfplaats bezat, noch over voldoende middelen van bestaan beschikte. Tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft eiser bewust afstand gedaan van zijn recht op rechtsbijstand, ondanks dat hem niet was verteld dat rechtsbijstand kosteloos was.

De rechtbank concludeerde dat de zware en lichte gronden samen voldoende waren om de maatregel van bewaring te dragen en dat de maatregel niet onrechtmatig was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.41096

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. G. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2024 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [datum] 1995 en heeft de Roemeense nationaliteit.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden vermeld [1] dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden [2] vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De gemachtigde van eiser heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat aan eiser niet is verteld dat rechtsbijstand kosteloos zou zijn. Alleen om die reden heeft eiser gezegd dat hij geen bijstand wenst van een advocaat.
4. Uit het proces-verbaal van gehoor [3] blijkt dat eiser geen bijstand door een advocaat wenste. Tijdens het gehoor heeft de verbalisant nogmaals aan eiser gevraagd of het klopt dat eiser geen bijstand wenst van een advocaat. Op deze vraag heeft eiser bevestigend geantwoord. Eiser heeft op geen enkel moment kenbaar gemaakt dat hij afzag van zijn recht op rechtsbijstand vanwege de eventuele kosten daarvan, ook niet nadat hem tijdens het gehoor voorafgaand de inbewaringstelling was medegedeeld dat er wel een advocaat op de hoogte wordt gebracht van het dossier van eiser zodat er een advocaat naar zijn zaak zal kijken. Dit is voldoende voor de conclusie dat eiser bewust afstand heeft gedaan van zijn recht op rechtsbijstand bij dit gehoor.
5. De rechtbank stelt vast dat zware grond 3b feitelijk juist is. Eiser heeft zijn illegale verblijf in Nederland niet gemeld bij de korpschef. Daarnaast is zware grond 3c feitelijk juist. Uit de beschikking van 25 juli 2024, uitgereikt op 28 juli 2024, blijkt namelijk dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft en dat hij Nederland binnen een maand moet verlaten. Verder zijn de lichte gronden 4c en 4d feitelijk juist omdat eiser geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Deze lichte gronden worden door eiser ook niet betwist. Verweerder heeft dan ook voldoende gemotiveerd dat eiser zich hierdoor aan het toezicht onttrekt. Deze zware en lichte gronden kunnen, in samenhang bezien en gelet op de gegeven toelichting, de maatregel van bewaring reeds dragen, omdat daaruit een risico voortvloeit dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De overige in de maatregel genoemde grond kan daarom verder onbesproken blijven.
6. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep ongegrond;
 wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 30 oktober 2024 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
2.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
3.De M110.