Verzoeker heeft op 25 juli 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 5 december 2022. Op 10 oktober 2024 verzocht verzoeker de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen in deze zaak.
De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zonder zitting uitspraak gedaan. Omdat de rechtbank op dezelfde dag een uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak (zaaknummer NL24.29579), is een voorlopige voorziening niet meer noodzakelijk.
Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.