ECLI:NL:RBDHA:2024:17811
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visum kort verblijf wegens onvoldoende aantoonbare sociale en economische binding met Turkije
Eiser, een Turkse nationaliteit dragende persoon, verzocht om een visum kort verblijf om familie in Nederland te bezoeken. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser het doel van het verblijf en de terugkeer naar Turkije onvoldoende aannemelijk had gemaakt. Eiser voerde aan dat hij sterke familiebanden en een dienstverband in Turkije heeft, en stelde zich op het standpunt dat het gelijkheidsbeginsel van toepassing is vanwege een eerdere visumtoekenning aan een familielid.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende sociale binding met Turkije had aangetoond, omdat hij niet kon aantonen dat hij zorg draagt voor hulpbehoevende familieleden of dat er zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen zijn. De economische binding werd eveneens als gering beoordeeld, mede vanwege tegenstrijdigheden in de overgelegde documenten en het ontbreken van vertalingen en aanvullende financiële stukken.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de situaties niet vergelijkbaar waren en onvoldoende onderbouwd. Ook was het horen in bezwaar niet verplicht omdat het bezwaar geen kans op een ander besluit bood. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het bestreden besluit in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.