ECLI:NL:RBDHA:2024:18263

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 november 2024
Publicatiedatum
7 november 2024
Zaaknummer
NL24.18806
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 42 VwArt. 43a VwArt. 17 Richtlijn 2001/55/EG
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens prematuur ingediende ingebrekestelling bij asielaanvraag tijdelijke bescherming Oekraïne

Eiser diende op 10 mei 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Na het uitblijven van een besluit stelde eiser de minister op 12 april 2024 in gebreke en stelde vervolgens op 30 april 2024 beroep in tegen het niet tijdig beslissen. De minister gaf aan dat eiser onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming Oekraïne valt, waardoor de beslistermijn is opgeschort tot ten minste 4 maart 2026.

De rechtbank overwoog dat de ingebrekestelling prematuur was omdat de wettelijke beslistermijn op het moment van ingebrekestelling nog niet was aangevangen. Zonder geldige ingebrekestelling kan geen beroep wegens niet tijdig beslissen worden ingesteld. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.

De rechtbank vond geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Partijen stemden in met het niet houden van een zitting, waarna het onderzoek werd gesloten. De uitspraak werd gedaan door rechter A.G.D. Overmars en griffier B.A. Smit.

Eiser wordt gewezen op de mogelijkheid om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak beroep in te stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens prematuur ingediende ingebrekestelling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.18806

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 10 mei 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
2. Bij brief van 12 april 2024 heeft eiser de minister in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Eiser heeft vervolgens op 30 april 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
3. De minister heeft op 29 juli 2024 een verweerschrift ingediend.
4. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt. Partijen hebben hier mee ingestemd, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten en het beroep dus niet heeft behandeld op een zitting.

Beoordeling door de rechtbank

5. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.
6. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra een bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
7. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) moet de minister binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen.
8. Op grond van artikel 43a, eerste lid, van de Vw, wordt in afwijking van artikel 42, eerste lid, het besluit op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd ten aanzien van vreemdelingen die tijdelijke bescherming genieten, uiterlijk zes maanden na afloop van de tijdelijke bescherming gegeven.
9. De minister heeft in het verweerschrift aangegeven dat eiser onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming Oekraïne 2001/55/EG (de Richtlijn) valt. De rechtbank deelt dit standpunt. Aangaande de afwijkende beslistermijn als gevolg van deze tijdelijke bescherming is artikel 17 van Pro de Richtlijn van belang. De uitwerking hiervan staat in artikel 43a van de Vw, zoals onder rechtsoverweging 8. is vermeld.
10. Op dit moment is de werkingsduur van de Richtlijn verlengd tot in ieder geval
4 maart 2026. [1] De beslistermijn van de aanvragen van de vreemdelingen, zoals eiser, die onder deze Richtlijn vallen, is daarmee opgeschort tot - in ieder geval - 4 maart 2026. De ingebrekestelling is door eiser ingediend op 12 april 2024. Op dat moment was de wettelijke beslistermijn nog niet aangevangen en evenmin verstreken. De ingebrekestelling van eiser is daarmee prematuur ingediend en is niet geldig. Zonder geldige ingebrekestelling kan geen beroep wegens niet tijdig beslissen worden ingediend.
11. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars. rechter, in aanwezigheid van mr. B.A. Smit, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Uitvoeringsbesluit (EU) 2024/1836.