ECLI:NL:RBDHA:2024:18312
Rechtbank Den Haag
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring asielberoep wegens niet tijdig beslissen ongegrond verklaard
De rechtbank Den Haag behandelde het verzet van opposant tegen de uitspraak van 3 oktober 2024, waarin het beroep wegens niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag niet-ontvankelijk was verklaard. De rechtbank had geoordeeld dat de ingebrekestelling prematuur was ingediend en maakte gebruik van artikel 8:54 Awb Pro voor vereenvoudigde afdoening.
Opposant stelde dat er sprake was van divergentie in de rechtspraak over de rechtsgeldigheid van de verlenging van de beslistermijn met WBV 2023/3. Diverse zittingsplaatsen van de rechtbank Den Haag oordeelden anders dan de aangevallen uitspraak, en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State had prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de EU. Ook verwees opposant naar een uitspraak van zittingsplaats ’s-Hertogenbosch waarin verzet gegrond werd verklaard.
De rechtbank oordeelde echter dat deze divergentie geen aanleiding gaf tot redelijke twijfel over het oordeel. Er waren geen nieuwe argumenten aangevoerd die bij een reguliere behandeling tot een ander oordeel zouden leiden. De zittingsplaats Middelburg had in eerdere vergelijkbare zaken dezelfde lijn gevolgd. Daarom bleef de niet-ontvankelijkverklaring in stand en werd het verzet ongegrond verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is definitief, hoger beroep of verder verzet is niet mogelijk.
Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het asielberoep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.