Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
en [minderjarige] ,geboren op [2022] ,
Rechtbank Den Haag
Verzoekster heeft een aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, welke door de minister van Asiel en Migratie op 15 juli 2024 is afgewezen als kennelijk ongegrond. Hiertegen heeft verzoekster beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag.
Verzoekster heeft tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend om de afwijzing te schorsen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek aanvankelijk aangehouden wegens het ontbreken van een tolk, waarna het verzoek samen met de hoofdzaak op 12 september 2024 is behandeld.
Op 7 oktober 2024 heeft de rechtbank uitspraak gedaan over het beroep in de hoofdzaak (zaaknummer NL24.29152), waardoor de voorlopige voorziening niet langer nodig was. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is behandeld.