Eiser diende op 18 december 2023 een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis. Verweerder bevestigde de ontvangst op 18 januari 2024 en moest binnen 90 dagen beslissen, met een verlenging van drie maanden. Eiser stelde verweerder op 16 juli 2024 in gebreke en diende daarna tijdig beroep in tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is omdat verweerder niet binnen de wettelijke termijnen heeft beslist. De rechtbank legt een beslistermijn van acht weken op, met een mogelijke verlenging tot twintig weken indien nader onderzoek nodig is en schriftelijk wordt meegedeeld.
Daarnaast wordt verweerder een dwangsom opgelegd van €100 per dag bij overschrijding van de termijn, met een maximum van €7.500. De reeds verstreken periode van 42 dagen leidt tot een dwangsom van €1.442. Verweerder wordt ook veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.