ECLI:NL:RBDHA:2024:18517

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 november 2024
Publicatiedatum
11 november 2024
Zaaknummer
NL24.42776
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b, derde lid, Vreemdelingenbesluit 2000Dublinverordening
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring op grond van Vreemdelingenwet 2000

Eiser, met de Algerijnse nationaliteit, werd op 29 oktober 2024 een maatregel van bewaring opgelegd door verweerder op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat de staandehouding onrechtmatig was vanwege onvoldoende transparantie over het mobiel toezicht en vermoedde discriminatie. De rechtbank oordeelde dat de controle plaatsvond in een internationale trein op het traject Brussel-Amsterdam, waarbij slechts één treincoupé werd gecontroleerd, en dat de duur van de controle maximaal 30 minuten was. Dit maakte het begrijpelijk dat slechts enkele personen werden staandegehouden, zonder aanwijzingen voor discriminatie.

De rechtbank verwierp ook de stelling van eiser dat hij op 24 oktober 2024 was staandegehouden, omdat hiervoor geen bewijs was. De maatregel van bewaring werd gerechtvaardigd door zware gronden, waaronder het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het onttrekken aan toezicht, onvoldoende medewerking aan identiteitsonderzoek en het verstrekken van onjuiste gegevens. Eiser betwistte deze gronden niet, waardoor de rechtbank deze als feitelijk juist beschouwde.

Daarnaast droegen lichte gronden zoals het niet naleven van verplichtingen, het ontbreken van een vaste woonplaats, onvoldoende middelen van bestaan en een strafrechtelijk verleden bij aan het risico op onderduiken. De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring rechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.42776

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Kanters).

Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 6 november 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Tribak. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 1990.
2. Eiser voert aan dat de staandehouding onrechtmatig is geweest, omdat onvoldoende duidelijk is hoe het mobiel toezicht heeft plaatsgevonden. Zo is niet bekend hoeveel mensen zijn gecontroleerd en staandegehouden. Hierdoor is niet controleerbaar of de controle discriminatoir is geweest. Verder stelt eiser dat hij al op 24 oktober 2024 is staande gehouden en meerdere dagen op het politiebureau heeft gezeten.
3. Uit het proces-verbaal van bevindingen toezicht controle van 29 oktober 2024 volgt dat de controle heeft plaatsgevonden in een internationale trein op het traject Brussel-Amsterdam om 10:30 uur en dat de controle ten hoogste 30 minuten heeft geduurd en dat van deze trein één treincoupé is gecontroleerd. Gelet op de duur en de omvang van de controle is het begrijpelijk dat mogelijk slechts één persoon of enkele personen zijn staandegehouden. Hieruit volgt niet dat de controle discriminatoir van aard is geweest. De staandehouding is dan ook niet onrechtmatig. Verder zijn er ook geen enkele aanknopingspunten te vinden in het dossier voor de stelling van eiser dat hij op 24 oktober 2024 zou zijn staandegehouden en de rechtbank volgt dit dan ook niet.
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat op onderduiken. In de maatregel staan als zware gronden [1] vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
5. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden feitelijk juist zijn. Verweerder heeft daarnaast voldoende toegelicht dat de lichte gronden bijdragen aan een significant risico op onderduiken. De zware en lichte gronden konden daarom ten grondslag worden gelegd aan de maatregel en kunnen de maatregel ook dragen.
6. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 11 november 2024 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).