De minister heeft op 24 oktober 2024 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld, dat tevens als verzoek om schadevergoeding is aangemerkt. De rechtbank heeft het beroep op 8 november 2024 behandeld via telehoren.
De minister baseerde de bewaring op meerdere gronden, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het onttrekken aan toezicht, het niet naleven van verplichtingen uit hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit, het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan. De minister heeft de grond 4d (onvoldoende middelen) laten vallen tijdens de zitting.
De rechtbank oordeelt dat eiser onder de categorie vreemdelingen valt waarvoor bewaring is toegestaan, met een concreet aanknopingspunt voor overdracht op basis van de Dublinverordening. De minister heeft voortvarend gehandeld met een terugnameverzoek aan Kroatië en een vertrekgesprek met eiser. De medische omstandigheden van eiser zijn meegewogen, maar bieden geen aanleiding voor een lichter middel. De rechtbank concludeert dat de bewaring niet onevenredig bezwarend is en dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen.