De heer verzoeker heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) vanwege een problematische schuldensituatie. De rechtbank heeft dit verzoek behandeld op 28 oktober 2024 en heeft daarbij ook de aanwezigheid van schuldhulpverleners van de gemeente Den Haag betrokken.
De rechtbank benadrukt dat de WSNP bedoeld is om minnelijke schuldregelingen te bevorderen en fungeert als stok achter de deur. Sinds 1 juli 2023 geldt dat een WSNP-verzoek in beginsel moet worden voorafgegaan door een deugdelijke poging tot buitengerechtelijke schuldregeling, ondersteund door een zogenoemde 285-verklaring die verklaart dat er geen reële mogelijkheden zijn voor zo'n regeling. Alleen indien aannemelijk is dat het onmogelijk is om tot een buitengerechtelijke regeling te komen, hoeft deze poging niet te zijn gedaan.
In deze zaak heeft verzoeker geen aanbod aan schuldeisers gedaan en beroept zich op dakloosheid en onbekendheid met alle schuldeisers. De rechtbank stelt dat een schuldenaar een zo volledig mogelijk overzicht van zijn schuldenlast moet geven, wat ook vereist is voor beoordeling van goed vertrouwen bij het ontstaan van schulden. Verzoeker heeft sinds anderhalf jaar een vaste woonplaats en ontvangt geen nieuwe aanmaningen van onbekende schuldeisers, waardoor de vrees voor onbekende schuldeisers niet gerechtvaardigd is.
De rechtbank concludeert dat de 285-verklaring niet correct is en dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een buitengerechtelijke schuldregeling onmogelijk is. Daarom wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toepassing van de WSNP.