AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beschikking voorlopige voogdij over minderjarigen na overlijden ouders
Na het overlijden van de ouders van zes minderjarige kinderen is er een gezagsvacuüm ontstaan, waardoor geen gezaghebbende ouder beslissingen kan nemen in het belang van de kinderen. De moeder had voogden aangewezen, maar deze hebben de voogdij nog niet aanvaard. De kinderen verblijven grotendeels in Somalië bij familie, terwijl één kind met een meervoudige beperking in Nederland verblijft.
De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om de gecertificeerde instelling, de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, te belasten met de voorlopige voogdij. Dit is dringend noodzakelijk om medische beslissingen te kunnen nemen, de terugkeer van de kinderen naar Nederland te regelen, en de belangen van de kinderen te behartigen.
De kinderrechter heeft tijdens de zitting met gesloten deuren gesproken met de kinderen en betrokken partijen. De gecertificeerde instelling heeft zich bereid verklaard de voorlopige voogdij op zich te nemen en heeft al stappen gezet om de terugkeer en ondersteuning van de kinderen te faciliteren.
De kinderrechter oordeelt dat de voorlopige voogdij noodzakelijk is en wijst deze toe aan de gecertificeerde instelling. De voogdij vervalt uiterlijk op 21 januari 2025, tenzij eerder een definitieve voorziening wordt getroffen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten door belanghebbenden.
Uitkomst: De gecertificeerde instelling wordt belast met de voorlopige voogdij over de minderjarige kinderen.
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaksgegevens: C/09/674299 / FA RK 24-7482
Datum uitspraak: 30 oktober 2024
Beschikking van de kinderrechter
Voorlopige voogdij (ex artikel 1:241 vanPro het Burgerlijk Wetboek)
in de zaak van:
de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden,
hierna te noemen: de Raad,
over:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2007 in [geboorteplaats 1] , Somalië,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2010 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2]
- [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2014 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3]
- [minderjarige 4], geboren op [geboortedatum 4] 2018 in [geboorteplaats 3] ,
hierna te noemen: [minderjarige 4]
- [minderjarige 5], geboren op [geboortedatum 5] 2021 in [geboorteplaats 3] ,
hierna te noemen: [minderjarige 5]
- [minderjarige 6], geboren op [geboortedatum 6] 2023 in [geboorteplaats 3] ,
hierna te noemen: [minderjarige 6] ,
hierna gezamenlijk ook te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt ten aanzien van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 5] als belanghebbende aan:
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
De kinderrechter merkt ten aanzien van [minderjarige 6] en [minderjarige 4] als informant aan:
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
De kinderrechter merkt ten aanzien van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] , [minderjarige 5] en [minderjarige 6] als informant aan:
[informant],
hierna te noemen: [informant] .
1.Het verdere verloop van de procedure
1.1
Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 21 oktober 2024 is de gecertificeerde instelling bij wijze van spoedvoorziening belast met de voorlopige voogdij over de kinderen van 21 oktober 2024 tot 31 oktober 2024 en is de mondelinge behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden.
1.2
De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder thans ook:
- voornoemde beschikking van 21 oktober 2024.
1.3
Op 30 oktober 2024 is de behandeling van de zaak ter zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
de zus, via telefonische verbinding;
[naam 1] namens de Raad;
[naam 2] , [naam 3] en [naam 4] namens de gecertificeerde instelling.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. Zij hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2.De feiten
2.1
[minderjarige 4] verblijft bij [instelling] . De andere kinderen verblijven feitelijk in Somalië bij familie moederszijde met meerderjarige zus [informant] en hun meerderjarige broer.
2.2
Voor de overige feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 21 oktober 2024.
3.Het verzoek
3.1
De Raad handhaaft het verzoek om de gecertificeerde instelling te belasten met de voorlopige voogdij over de kinderen.
3.2
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Door het overlijden van zowel de vader als de moeder is er op dit moment geen gezaghebbende ouder die beslissingen in het belang van de kinderen kan nemen. De door de moeder aangewezen voogden hebben de voogdij nog niet aanvaard. Onderzocht moet worden of [informant] , een meerderjarig familielid of de gecertificeerde instelling met het gezag over de kinderen belast moet worden. De maatregel tot voorlopige voogdij is dringend en onverwijld noodzakelijk om de gezagsuitoefening van de kinderen te voorzien. Het is van belang dat er medische beslissingen kunnen worden genomen voor [minderjarige 4] , die een meervoudige beperking heeft, en dat haar verzorging bij [instelling] gewaarborgd wordt. Daarnaast moeten er veel zaken geregeld worden om de terugkeer van de andere kinderen naar Nederland mogelijk te maken. Zo moet er huisvesting, financiering en hulpverlening worden geregeld. Verder moet de nalatenschap worden afgewikkeld. Bovendien zijn er zeer ernstige zorgen over het land waar de kinderen verblijven. Ter zitting heeft de Raad aangevuld de tijd van de voorlopige voogdij nodig te hebben om te kunnen onderzoeken wie het beste de voogdij kan krijgen. Dit kan het beste als de kinderen en de in Nederland wonende familieleden terug zijn in Nederland zodat er met hen gesproken kan worden. Verder vindt de Raad het heel belangrijk dat de kinderen bij elkaar kunnen blijven en dat alles goed voor hen wordt geregeld.
4. De standpunten
4.1
De gecertificeerde instelling sluit zich aan bij het verzoek van de Raad en heeft de volgende informatie verstrekt. De gecertificeerde instelling heeft zich na het spoedverzoek van de Raad ingezet om de situatie in Nederland goed te regelen voor de terugkomst van de kinderen. Zo is geregeld dat de kinderen in het ouderlijk huis kunnen blijven wonen totdat de jongste 27 jaar is. Ook zijn met de gemeente financiële zaken, zoals de huur, besproken. Als de kinderen terugkomen kunnen zij de eerste twee weken intensief ondersteund worden om te kijken wat er nodig is voor de toekomst. Mochten de kinderen het moeilijk vinden om direct terug te keren naar het ouderlijk huis, dan kunnen zij ook eerst twee weken in een vakantiehuisje tot rust komen en vervolgens gefaseerd naar huis. Het is volgens de gecertificeerde instelling van belang dat de kinderen eerst tot rust kunnen komen, aangezien zij veel traumatische dingen hebben meegemaakt en in rouw zijn. Uitdrukkelijk is benoemd dat het de insteek is om de kinderen bij elkaar te houden. Het is belangrijk dat de Raad kijkt naar de belangen van de kinderen op de lange termijn. De gecertificeerde instelling hoopt dat de kinderen zo snel mogelijk terugkeren naar Nederland. Mogelijk zal deze terugkeer over drie weken plaatsvinden met een tante.
4.2
Desgevraagd geeft [informant] aan graag de zorg van de kinderen op zich te willen nemen. Zij zorgt al langer voor de kinderen. Ook zou zij graag de voogdij willen, maar zij begrijpt het ook als een ouder familielid de voogdij krijgt na het raadsonderzoek. Zij benadrukt vooral dat het heel erg belangrijk is dat de kinderen bij elkaar kunnen blijven om hun band te behouden en elkaar te kunnen ondersteunen in deze moeilijke periode. Verder is zij wantrouwend richting hulpverlening door de dood van haar zusje [naam 5] .
5.De beoordeling
5.1
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat op dit moment het wettelijk gezag over de kinderen (feitelijk) niet wordt uitgeoefend. Om de belangen van de kinderen te behartigen, acht de kinderrechter het dringend en onverwijld noodzakelijk om in de gezagsuitoefening van de kinderen te voorzien (artikel 1:241 vanPro het Burgerlijk Wetboek).
5.2
De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt. Door het overlijden van de vader en de moeder op 19 oktober 2024 in Somalië is er een gezagsvacuüm ontstaan, waarbij het gezag over de kinderen niet wordt uitgeoefend. De kinderrechter stelt in dat verband vast dat uit de stukken en het besprokene ter zitting niet blijkt dat de door de moeder gewenste voogdij al is aangevangen. Niet is gebleken dat de door de moeder gewenste voogd(en) zich daartoe - op een voorgeschreven wijze – bereid hebben verklaard.
De kinderen hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland en zijn kort geleden naar Somalië gegaan. Op dit moment verblijven [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 5] en [minderjarige 6] in Somalië. Er is nog veel onduidelijk over de omstandigheden waaronder de vader en de moeder zijn overleden. Wel is duidelijk geworden ter zitting dat de ouders zijn begraven. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben aangegeven dat zij het goed hebben in Somalië bij familie moederszijde en dat zij in deze moeilijke periode graag gezamenlijk tot rust willen komen en rustig afscheid willen nemen van hun familie. De kinderrechter acht dit van belang, maar heeft tegelijkertijd grote zorgen over de veiligheid aldaar. Het is noodzakelijk dat de gecertificeerde instelling in Nederland zaken voor de terugkeer van de kinderen kan regelen. Zowel de kinderen, [informant] als de Raad en de gecertificeerde instelling hebben aangegeven dat het de bedoeling is dat de kinderen bij elkaar kunnen blijven in het ouderlijk huis. Zij moeten in Nederland rustig hun verlies kunnen verwerken en elkaar daarbij ondersteunen. De kinderrechter acht dit ook in hun belang. De gecertificeerde instelling heeft al veel geregeld om dit mogelijk te maken. Bovendien bevindt [minderjarige 4] , die een meervoudige beperking heeft, zich nog in Nederland. Voor haar is het noodzakelijk dat de gecertificeerde instelling met de voorlopige voogdij wordt belast om noodzakelijke (medische) beslissingen te kunnen nemen. De voorlopige voogdij is bovendien noodzakelijk zodat de Raad de tijd heeft om te onderzoeken wie er met het gezag over de kinderen belast moet worden. Hierbij kan worden gedacht aan [informant] , die door de moeder is aangewezen als voogd, een meerderjarig familielid of de gecertificeerde instelling.
5.3
Het is daarom noodzakelijk dat de gecertificeerde instelling belast wordt met de voorlopige voogdij. De gecertificeerde instelling heeft zich ter zitting bereid verklaard om deze op zich te nemen.
5.4
De kinderrechter merkt op dat de voorlopige voogdij vervalt op 21 januari 2025, gelet op de eerdere beschikking van 21 oktober 2024, tenzij voor die tijd om een voorziening in het gezag over de kinderen is verzocht (1:241, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek).
6.De beslissing
De kinderrechter:
6.1
belast de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] , [minderjarige 5] en [minderjarige 6] ;
6.2
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2024 door mr. M.P. Meeuwisse, kinderrechter, in aanwezigheid van M.I. Klijn als griffier, en op schrift gesteld op 13 november 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van