ECLI:NL:RBDHA:2024:18770

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 november 2024
Publicatiedatum
14 november 2024
Zaaknummer
NL24.42264
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 96 lid 3 Vw 2000
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortzetting maatregel van bewaring vreemdeling

De minister van Asiel en Migratie heeft op 12 juli 2024 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank heeft eerder op 26 augustus 2024 geoordeeld dat deze maatregel tot dat moment rechtmatig was. In dit vervolgberoep toetst de rechtbank of de maatregel sinds het sluiten van het onderzoek op 20 augustus 2024 nog steeds rechtmatig is.

Eiser heeft verzocht om te worden gehoord, maar de rechtbank heeft dit verzoek afgewezen omdat het horen in vervolgberoepen niet verplicht is en de stukken voldoende informatie bieden. Eiser betoogt dat er onvoldoende zicht is op uitzetting naar Algerije vanwege de nog in behandeling zijnde laissez passer-aanvraag en het vermeende gebrek aan voortvarendheid van de minister.

De rechtbank oordeelt dat het zicht op uitzetting niet ontbreekt, aangezien de aanvraag in behandeling is en enige tijd gegund moet worden aan de Algerijnse autoriteiten. Bovendien heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zijn situatie afwijkt van de algemene praktijk. De rechtbank constateert dat eiser zelf onvoldoende inspanningen verricht om zijn terugkeer te bespoedigen. Ook is er geen bewijs dat de minister onvoldoende voortvarend handelt; er vinden maandelijks vertrekhandelingen en rappelacties plaats.

De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring rechtmatig blijft en verklaart het beroep ongegrond. Tevens wijst zij het verzoek tot schadevergoeding af. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.42264

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 november 2024 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. S.B. Kleerekooper),
en

de minister van Asiel en Migratie,

Procesverloop

De minister heeft op 12 juli 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De minister heeft de rechtbank op 29 oktober 2024 van het voortduren van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en daarom het vooronderzoek gesloten op 4 november 2024.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. [1]
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 26 augustus 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 20 augustus 2024) rechtmatig is.
Geen zitting
3. Hoewel eiser heeft verzocht om op zitting gehoord te worden, heeft de rechtbank aan dat verzoek geen gevolg gegeven. Het horen van de vreemdeling in vervolgberoepen is niet verplicht. Het horen van eiser is in dit geval ook niet nodig. De rechtbank heeft namelijk op basis van de stukken in het procesdossier al voldoende informatie om een oordeel te kunnen geven over het vervolgberoep. Daarbij is van belang dat, buiten het tijdsverloop, geen gewijzigde omstandigheden in de persoonlijke situatie van eiser zijn aangevoerd en deze de rechtbank ook niet ambtshalve zijn gebleken.
Ontbreekt het zicht op uitzetting?
4. Eiser betoogt dat zicht op uitzetting naar Algerije ontbreekt, omdat er op 17 juli 2023 een laissez passer-aanvraag is gedaan en er tot op heden nog geen reactie of toezegging is geweest dat deze zal worden verstrekt. Dit in combinatie met het feit dat er voor Algerijnse vreemdelingen op dit moment veel laissez passers worden verstrekt, maakt dat er onvoldoende zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn. Volgens eiser is de kans dat een laissez-passer wordt afgegeven zo klein dat voortzetting van de bewaring niet langer verantwoord is.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting naar Algerije in het algemeen niet ontbreekt. [2] Uit de M120 blijkt dat er op 17 juli 2023 een laissez passer-aanvraag is gedaan en dat deze tot op heden in behandeling is bij de Algerijnse autoriteiten. Aan de Algerijnse autoriteiten mag enige tijd worden gegund om de afgifte van een laissez passer in orde te maken, ook omdat ze daarbij afhankelijk zijn van de medewerking van eiser. Eiser heeft met zijn betoog dat aan Algerijnse vreemdelingen op dit moment in een vlot tempo laissez passers worden verstrekt onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zijn specifieke geval geen laissez passer zal worden verstrekt. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser zelf geen stappen onderneemt om zijn terugkeer naar Algerije te bespoedigen, bijvoorbeeld door inspanningen te verrichten om identiteits- en nationaliteitsdocumenten te verkrijgen. Van eiser mag dit wel worden verwacht.
Werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting?
5. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting. Deze beroepsgrond slaagt niet. Los van het feit dat eiser dit betoog niet heeft toegelicht of onderbouwd, ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Hierbij neemt de rechtbank in overweging dat de minister maandelijks vertrekhandelingen uitvoert. De minister rappelleert op de laissez passer-aanvraag en houdt vertrekgesprekken met eiser.
Geeft de M120 die aan het dossier is toegevoegd voldoende inzicht in zicht op uitzetting en voortvarendheid?
6. Eiser voert aan dat er uit de M120 niet, dan wel niet voldoende kan worden afgeleid dat er sprake is van zicht op uitzetting en dat de minister voldoende voortvarend aan deze uitzetting werkt. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank kan uit de M120 voldoende afleiden dat het zicht op uitzetting – zoals geoordeeld onder 4.1. – niet ontbreekt en dat de minister – zoals geoordeeld onder 5. – voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregelen niet is voldaan. [3]

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Dat staat in artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
2.ABRvS 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892.
3.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.