ECLI:NL:RBDHA:2024:1878
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublin-overdracht aan Frankrijk
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de rechtbank Den Haag het beroep behandeld van een asielzoeker uit Bahrein die transgender is en vreest voor zijn veiligheid in Frankrijk vanwege zijn moslimachtergrond en genderidentiteit. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had zijn asielaanvraag niet in behandeling genomen omdat Frankrijk volgens het Dublin-verdrag verantwoordelijk is voor de behandeling.
De eiser stelde dat de overdracht aan Frankrijk onveilig voor hem zou zijn en dat de staatssecretaris ten onrechte zijn bezwaren terzijde had geschoven. De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Frankrijk een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 van Pro het EU-Handvest. Zijn zorgen waren gebaseerd op algemene verhalen en onderzoek, niet op persoonlijke en concrete feiten.
De rechtbank overwoog dat het interstatelijke vertrouwensbeginsel geldt en dat de hoge drempel van zwaarwegendheid, zoals in het arrest Jawo, niet is gehaald. Ook is niet gebleken dat eiser zich niet tot Franse autoriteiten kan wenden bij problemen. Daarom werd het beroep kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard.