ECLI:NL:RBDHA:2024:18856

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 november 2024
Publicatiedatum
14 november 2024
Zaaknummer
NL24.42894
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 5.1b derde lid VbArt. 5.1b vierde lid Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b Vw

Eiser, van Algerijnse nationaliteit, is in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c van de Vreemdelingenwet. De maatregel is genomen vanwege het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het onttrekken aan toezicht en het niet vrijwillig vertrekken na een uitzettingsbesluit.

Eiser heeft de gronden onder a en b niet betwist, maar voerde aan dat er geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf was en dat er geen zicht was op uitzetting binnen redelijke termijn. De rechtbank oordeelt dat bij toepassing van artikel 59b, eerste lid, zicht op uitzetting geen vereiste is en dat in dit geval een redelijk vermoeden van illegaal verblijf niet vereist is vanwege een grondslagwijziging.

Verder heeft eiser aangevoerd dat zijn asielverzoek kans van slagen heeft en dat een lichter middel passend zou zijn. De rechtbank stelt vast dat de kans van slagen van een asielverzoek geen rol speelt bij de beoordeling van het toepassen van een lichter middel en dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat een lichter middel niet doeltreffend zou zijn.

De ambtshalve toetsing leidt niet tot een oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.42894

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. W.A.E.M. Amesz),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. G. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b en c, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 2 en 7 november 2024 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 12 november 2024 reactie op de gronden van het beroep ingediend. De rechtbank heeft op 13 november 2024 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 1998.
Maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft als zware gronden [2] vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden [3] vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Tevens heeft verweerder in de maatregel van bewaring overwogen dat eiser (1°) in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2°) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.
3. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen onder artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Vw niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat de gronden feitelijk juist en voldoende toegelicht zijn. De zware en lichte gronden konden daarom ten grondslag worden gelegd aan de maatregel en kunnen de maatregel ook dragen. De rechtbank is van oordeel dat ook artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c van de Vw terecht aan de maatregel ten grondslag is gelegd. Eiser werd reeds voor het opleggen van de huidige maatregel in bewaring gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn en heeft reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure gehad. Eiser heeft vlak voor zijn feitelijke uitzetting naar Algerije, op 2 november 2024, na bekendmaking van zijn vlucht, asiel aangevraagd. Het is aannemelijk dat eiser dit op het laatste moment heeft gedaan om zijn terugkeer te frustreren.
Redelijk vermoeden van illegaal verblijf
4. Eiser voert aan dat geen sprake is geweest van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf.
5. De rechtbank stelt vast dat aan eiser op basis van een grondslagwijziging deze maatregel van bewaring is opgelegd, zodat een redelijk vermoeden van illegaal verblijf in dit geval niet vereist is.
Zicht op uitzetting
6. Eiser voert aan dat geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.
7. De rechtbank stelt vast dat voor een bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw zicht op uitzetting geen voorwaarde is. [4] De beroepsgrond slaagt dan ook niet.

Lichter middel

8. Eiser voert aan dat zijn asielverzoek wel eens kans van slagen kan hebben en dat een lichter middel daarom meer in de rede ligt.
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast. Uit de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, volgt een risico op onttrekking aan het toezicht en belemmering of ontwijking van de voorbereiding van het vertrek. Dat eiser meent dat zijn asielaanvraag kans van slagen heeft, heeft voor verweerder geen aanleiding hoeven zijn om een lichter middel toe te passen. Zoals verweerder in zijn brief van 12 november 2024 heeft toegelicht, is de kans van slagen van een asielverzoek geen overweging bij het toepassen van een lichter middel en waren bovendien de gronden van het asielverzoek niet bekend bij het opleggen van de maatregel.
Ambtshalve toets
10. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 14 november 2024 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
4.Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1552.