ECLI:NL:RBDHA:2024:18869

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 augustus 2024
Publicatiedatum
15 november 2024
Zaaknummer
NL24.32678
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 VwArt. 3 EVRMArtikel 15 Terugkeerrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende vooruitzicht op uitzetting

De eiser, van Algerijnse nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van zijn vreemdelingenbewaring die op 29 mei 2024 is opgelegd. Hij betoogt dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting is, dat geen lichter middel is toegepast, dat hij detentieongeschikt is en dat de bewaartermijn de wettelijke termijn van 75 dagen overschrijdt, wat volgens hem strijdig is met het EVRM en uitspraken van het HvJEU.

De minister stelt dat er wel degelijk zicht is op uitzetting, verwijst naar regelmatige rappel bij Algerijnse autoriteiten en benadrukt dat eiser niet meewerkt aan zijn terugkeer. Ook is volgens de minister voldoende gemotiveerd waarom geen lichter middel is toegepast en zijn er geen medische klachten gebleken die detentieongeschiktheid aantonen.

De rechtbank oordeelt dat het zicht op uitzetting niet ontbreekt, mede omdat eiser niet meewerkt aan vertrek en er geen aanwijzingen zijn dat Algerije niet zal meewerken aan het verstrekken van documenten. De enkele stelling van detentieongeschiktheid is onvoldoende onderbouwd. Verder is de beoordeling van het toepassen van een lichter middel eerder al als juist beoordeeld. De rechtbank vindt ook geen schending van de maximale bewaartermijn, omdat de wet een maximale duur van 6 maanden met verlenging tot 12 maanden toestaat.

Gelet op deze overwegingen verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen rechtsmiddel tegen deze uitspraak mogelijk.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.32678
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. L. Soedamah),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: M.M.E. Disselkamp).

Procesverloop

De minister heeft op 29 mei 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1993.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 13 juni 2024 (in de zaak NL24.22605) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek (11 juni 2024) dat aan die
uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is. Hij stelt daartoe dat hij al 84 dagen in bewaring zit zonder dat er op korte termijn zicht is op uitzetting. Eiser voert verder aan dat er ten onrechte geen gebruik is gemaakt van een lichter middel en dat de maatregel hierdoor niet verenigbaar is met het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel. Eiser stelt daartoe dat de bewaring al 84 dagen duurt en dat hij graag terug zou keren naar Frankrijk, waar zijn zwangere vrouw en ongeboren kind wonen. Voorts voert eiser aan dat hij detentieongeschikt is. Eiser stelt daartoe dat hij ernstige psychische en fysieke klachten ontwikkelt en dat het voortduren van detentie schadelijk is voor zijn gezondheid, hetgeen een schending van artikel 3 van Pro het EVRM zou opleveren. Als laatste voert eiser aan dat de bewaring de wettelijke termijn van 75 dagen overschrijdt, hetgeen een schending oplevert van de uitspraken van het Hof van Justitie EU (HvJEU) (C-704/20 en C- 39/21).
5. De minister stelt dat nog altijd sprake is van zicht op uitetting en verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 6 mei 20241. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de autoriteiten niet zullen meewerken aan het verstrekken van documenten. Verweerder rappelleert regelmatig. Eiser heeft geen actie ondernomen en wenst niet mee te werken. De minister stelt dat in de maatregel voldoende is gemotiveerd waarom niet met een lichter middel wordt volstaan. Er is niet gebleken van medische klachten en de omstandigheden sinds het laatste beroep zijn niet gewijzigd. Tot slot stelt de minister dat geen sprake is van een termijnoverschrijding. De maximale bewaringsduur is 6 maanden en dit kan verlengd worden met 12 maanden.

Zicht op uitzetting

6. De rechtbank is het met verweerder eens dat het zicht op uitzetting in het algemeen en in het geval van eiser, niet ontbreekt. Uit de vertrekgesprek van 21 augustus 2024 volgt dat de eiser niet heeft voldaan aan zijn verplichting om mee te werken aan zijn vertrek uit Nederland. Zo heeft hij geen documenten en zegt hij niet mee te willen werken aan de terugkeer naar zijn land van herkomst. Voorts heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat Algerije niet mee zal werken aan het verstrekken van een laissez passer (lp). Zo rappelleert verweerder regelmatig bij de Algerijnse autoriteiten. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is of dat de belangenafweging in het voordeel van eiser moet uitvallen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Lichter middel

7. De rechtbank begrijpt dat eiser stelt dat de maatregel onevenredig bezwarend is (disproportioneel), omdat hij detentieongeschikt is. De enkele stelling van eiser dat zijn medische situatie maakt dat hij niet in bewaring kan blijven, is onvoldoende voor het oordeel dat hij detentieongeschikt is. De stelling is niet met documenten onderbouwd en verweerder stelt terecht dat ook uit de vertrekgesprekken niet blijkt van medische problemen. Eiser heeft – als dat nodig is – in het detentiecentrum toegang tot medische zorg en er mag van uit worden gegaan dat deze gelijk is aan de zorg in de vrije maatschappij.
Gesteld noch gebleken is dat de medische zorg in het detentiecentrum voor eiser niet beschikbaar of onvoldoende is. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
8. Eiser stelt verder dat de bewaring al 84 dagen duurt, dat hij naar zijn zwangere vrouw in Frankrijk wil en dat verweerder geen onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheid voor het opleggen van een lichter middel. Ten aanzien van dit laatste punt verwijst de rechtbank naar haar eerdere uitspraak van 13 juni 2024 (in de zaak NL24.22605), overweging 5, waaruit volgt dat verweerder dit wel heeft beoordeeld en dat die beoordeling in orde is bevonden. Verder heeft eiser heeft nog altijd niets onderbouwd met betrekking tot zijn (gestelde) partner en haar zwangerschap. Verweerder hoefde daarom niet over te gaan tot het opleggen van een lichter middel. In de duur van de bewaring ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Termijnoverschrijding

9. Eiser lijkt te betogen dat uit het arrest van het HvJEU van 8 november 2022 zou volgen dat de bewaring maximaal 75 dagen mag duren. De rechtbank vindt daarvoor geen steun in het arrest. In het arrest wordt verwezen naar artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn, waarin is bepaald dat de bewaring maximaal 6 maanden mag duren en met nog eens 12 manden mag worden verlengd en er wordt niet geoordeeld dat dit anders zou zijn. Uit het arrest volgt wel dat de (voortduring van de) maatregel periodiek moet worden getoetst door de rechterbank, maar dat is in dit geval ook tijdig gebeurd. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Ambtshalve toetsing
10. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.I. van Meel, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rommes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
30 augustus 2024

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.