ECLI:NL:RBDHA:2024:18871
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding
De minister heeft op 16 mei 2024 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd aan eiser, die hiertegen beroep instelde tegen het voortduren van deze maatregel en tevens om schadevergoeding verzocht. De rechtbank heeft het beroep schriftelijk behandeld zonder zitting, waarbij eiser diverse bezwaren aanvoerde, waaronder onduidelijkheid over persoonsgegevens, vermeende niet-transparantie van de uitzettingsprocedure en onvoldoende voortvarendheid van de minister.
De rechtbank oordeelt dat de nationaliteit van eiser op basis van vingerafdrukken is bevestigd en dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd om dit te betwisten. De voortgangsrapportage van de minister wordt als transparant en betrouwbaar beschouwd, ondanks enkele onduidelijkheden die niet leiden tot onrechtmatigheid van de maatregel. De rechtbank stelt dat het ontbreken van een overnameovereenkomst met Algerije niet relevant is voor de rechtmatigheid van de bewaring.
Verder is vastgesteld dat eiser niet heeft meegewerkt aan een presentatie in persoon, hetgeen de voortvarendheid van de minister niet aantast, mede omdat een vlucht reeds geboekt was. De rechtbank bevestigt dat de maatregel tot het moment van het sluiten van het eerdere onderzoek rechtmatig was en dat de voortzetting daarvan sinds die datum eveneens rechtmatig is.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.