ECLI:NL:RBDHA:2024:19000

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 november 2024
Publicatiedatum
19 november 2024
Zaaknummer
NL24.11585
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbRichtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tijdelijke bescherming Oekraïense ontheemde

Verzoeker, een ontheemde uit Oekraïne, heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie waarin werd medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming. Vervolgens heeft verzoeker een voorlopige voorziening gevraagd tegen het bestreden besluit dat de last onder dwangsom handhaafde.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening beoordeeld zonder zitting, omdat het verzoek kennelijk ongegrond was. Op 31 oktober 2024 heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep van verzoeker, waardoor de noodzaak voor een voorlopige voorziening is komen te vervallen.

Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek af en ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzieningenrechter, en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de rechtbank reeds op het beroep heeft beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.11585

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 november 2024 in de zaak tussen

[verzoeker], v-nummer: [nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. A.C. Pool),
en
de Minister van Asiel en Migratie [1]
(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).

Inleiding

1. In het besluit van 29 februari 2024 heeft de minister medegedeeld dat verzoeker niet in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming als ontheemde uit Oekraïne en dat hij geen gebruik kan maken van de rechten die daarbij horen. [2] Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Ook heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
Met het bestreden besluit van 11 april 2024 (het bestreden besluit) op het bezwaar van verzoeker heeft het college de opgelegde last onder dwangsom gehandhaafd. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (zaaknummer NL24.18286). Het reeds ingediende verzoek om voorlopige voorziening wordt gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep. [3]
1.2.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Bij uitspraak van 31 oktober 2024, zaaknummer NL24.18286, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Hampsink, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
2.Zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022.
3.Dat volgt uit artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.