ECLI:NL:RBDHA:2024:19006

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 november 2024
Publicatiedatum
19 november 2024
Zaaknummer
NL24.43131
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 96 lid 3 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht

De minister van Asiel en Migratie heeft op 9 september 2024 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel werd reeds eerder door de rechtbank getoetst en toen rechtmatig bevonden tot het sluiten van het onderzoek op 17 september 2024.

Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. Hij betoogde dat de minister onvoldoende voortvarend was in de uitzetting naar Algerije, aangezien hij sinds 22 juni 2024 in bewaring zit en de Algerijnse autoriteiten nog geen laissez-passer hadden afgegeven.

De rechtbank concludeerde na beoordeling van de voortgangsrapportage dat de minister op verschillende momenten contact heeft gezocht met de Algerijnse autoriteiten en een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. De vertraging wordt toegeschreven aan de Algerijnse autoriteiten, aan wie enige tijd gegund moet worden. Tevens werd gewezen op het ontbreken van eigen inspanningen van eiser om zijn terugkeer te bespoedigen.

Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak is gedaan door rechter S.A. van Hoof en griffier D.M. Abrahams en er staat geen rechtsmiddel tegen open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.43131

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 november 2024 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. H. Palanciyan),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

De minister heeft op 9 september 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft de oplegging van deze maatregel van bewaring getoetst bij de uitspraak van 23 september 2024. [1]
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 11 november 2024 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 23 september 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of het voortduren van de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 17 september 2024) rechtmatig is.
Handelt de minister voldoende voortvarend?
3. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting naar Algerije. Eiser voert daartoe aan dat hij al sinds 22 juni 2024 in bewaring zit en het onduidelijk is waarom de Algerijnse autoriteiten nog geen laissez-passer (lp) hebben afgegeven. De gemachtigde van eiser weet namelijk uit ervaring dat de Algerijnse autoriteiten snel een lp afgeven.
3.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Uit de voortgangsrapportage van 5 november 2024 blijkt dat de minister op 9 oktober 2024 een vertrekgesprek heeft gevoerd met eiser. Uit deze voortgangsrapportage blijkt ook dat de minister op 2 oktober 2024 en 22 oktober 2024 heeft gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten ten aanzien van de openstaande lp-aanvraag. Op grond van deze uitzettingshandelingen valt niet in te zien waarom de minister onvoldoende voortvarend aan de uitzetting zou werken. Daar komt bij dat het aan de Algerijnse autoriteiten is om te bepalen hoe een lp-aanvraag wordt behandeld. Aan hen mag ook enige tijd worden gegund om de afgifte van een lp in orde te maken. Dat er aan andere personen na een kortere tijd wel een lp is verstrekt, zoals eiser lijkt te suggereren, maakt niet dat de Algerijnse autoriteiten dat in zijn geval niet gaan doen. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser zelf geen stappen onderneemt om zijn terugkeer naar Algerije te bespoedigen, bijvoorbeeld door inspanningen te verrichten om identiteits- en nationaliteitsdocumenten te verkrijgen. Van eiser mag dit wel worden verwacht.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [2]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag (zp Arnhem) 23 september 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:6450.
2.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.