Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: S. Faddach).
Procesverloop
Overwegingen
Bewaringsgronden
Ambtshalve toetsing
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Indiase nationaliteit, werd op 1 november 2024 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De minister hief de bewaring op op 6 november 2024. De rechtbank behandelde het beroep op 11 november 2024.
Eiser voerde aan dat ten tijde van de oplegging van de maatregel geen terugkeerbesluit of inreisverbod was opgelegd en dat hij niet in de gelegenheid was gesteld een zienswijze te geven. De rechtbank oordeelde dat eiser op 1 november 2024 om 16.25 uur over het terugkeerbesluit en inreisverbod was gehoord, die om 16.35 uur werden opgelegd, waarna de bewaring om 17.10 uur volgde. De maatregel was derhalve rechtmatig.
De minister baseerde de bewaring op zware gronden, waaronder het onttrekken aan toezicht en het niet opvolgen van een eerdere aanzegging om Nederland te verlaten, en lichte gronden zoals het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats. De rechtbank stelde vast dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd waren.
Eiser stelde dat een lichter middel, zoals een meldplicht, volstond. De rechtbank oordeelde echter dat gezien het risico op onttrekking en het ontbreken van een vaste verblijfplaats een lichter middel niet doeltreffend zou zijn. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.