ECLI:NL:RBDHA:2024:19196

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 november 2024
Publicatiedatum
21 november 2024
Zaaknummer
NL23.8853
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:84 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na ingetrokken voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak

Verzoekster diende een verzoek om voorlopige voorziening in tegen het primaire besluit van de minister van Asiel en Migratie, waarin haar aanvraag was afgewezen. Na het bezwaar van verzoekster verklaarde de minister dit gegrond, waarna verzoekster het verzoek om voorlopige voorziening introk en proceskostenvergoeding vorderde.

De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek om proceskostenvergoeding op basis van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht. Hoewel de minister tegemoet was gekomen aan het verzoek om voorlopige voorziening, werd vastgesteld dat dit niet het gevolg was van een aan de minister toe te rekenen onrechtmatigheid.

Verzoekster had de benodigde bewijsmiddelen pas na het indienen van bezwaar en het verzoek om voorlopige voorziening overgelegd, waardoor geen sprake was van een gedeeltelijke tegemoetkoming zoals bedoeld in de wet. Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om proceskostenvergoeding als kennelijk ongegrond af.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat geen sprake is van een aan de minister toe te rekenen onrechtmatigheid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.8853

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , verzoekster,

V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. A.S. Sewman),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2022 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoekster afgewezen.
Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Bij besluit van 30 mei 2024 heeft de minister het bezwaar van verzoekster gegrond verklaard.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken met daarbij het verzoek de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De voorzieningenrechter heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
De minister heeft de voorzieningenrechter meegedeeld dat geen aanleiding bestaat tot een veroordeling in de proceskosten.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:84, vijfde lid, gelezen in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Die wetsartikelen zijn op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is de minister in beginsel tegemoet gekomen aan het verzoek om een voorlopige voorziening.
4. De minister is weliswaar tegemoetgekomen aan het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster, maar toch bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De minister heeft het bestreden besluit niet herroepen wegens een aan haar te wijten onrechtmatigheid. Vastgesteld kan worden dat verzoekster de gevraagde bewijsmiddelen pas na het indienen van bezwaar en het verzoek om een voorlopige voorziening, in het kader van een gewijzigde aanvraagprocedure heeft overgelegd. Er is in die zin dan ook geen sprake van het door de minister geheel of gedeeltelijk aan verzoekster tegemoet komen zoals bedoeld in de Awb. De voorzieningenrechter wijst het verzoek als kennelijk ongegrond af.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van F.Q. Peters, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.