ECLI:NL:RBDHA:2024:19196
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na ingetrokken voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak
Verzoekster diende een verzoek om voorlopige voorziening in tegen het primaire besluit van de minister van Asiel en Migratie, waarin haar aanvraag was afgewezen. Na het bezwaar van verzoekster verklaarde de minister dit gegrond, waarna verzoekster het verzoek om voorlopige voorziening introk en proceskostenvergoeding vorderde.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek om proceskostenvergoeding op basis van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht. Hoewel de minister tegemoet was gekomen aan het verzoek om voorlopige voorziening, werd vastgesteld dat dit niet het gevolg was van een aan de minister toe te rekenen onrechtmatigheid.
Verzoekster had de benodigde bewijsmiddelen pas na het indienen van bezwaar en het verzoek om voorlopige voorziening overgelegd, waardoor geen sprake was van een gedeeltelijke tegemoetkoming zoals bedoeld in de wet. Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om proceskostenvergoeding als kennelijk ongegrond af.
Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat geen sprake is van een aan de minister toe te rekenen onrechtmatigheid.