ECLI:NL:RBDHA:2024:19222
Rechtbank Den Haag
- Bodemzaak
- H. Hanssen - Telman
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige identiteit en homoseksuele gerichtheid
Eiser, afkomstig uit Marokko, verzocht op 26 juni 2023 om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond vanwege twijfel aan de geloofwaardigheid van eisers identiteit en zijn homoseksuele gerichtheid. De rechtbank behandelde het beroep op 14 november 2024, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen.
De minister achtte de nationaliteit geloofwaardig, maar vond de identiteit ongeloofwaardig wegens ontbreken van originele documenten en wisselende verklaringen over naam en geboortedatum. Ook het asielmotief homoseksuele gerichtheid werd als ongeloofwaardig beoordeeld, omdat eiser oppervlakkig verklaarde en geen samenhangend relaas gaf. De rechtbank volgde deze beoordeling en oordeelde dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid van de Vreemdelingenwet 2000.
Verder concludeerde de rechtbank dat eiser zich niet onverwijld heeft gemeld voor asiel en geen goede redenen gaf voor het late indienen. De rechtbank vond dat de minister voldoende rekening had gehouden met het referentiekader van eiser en dat de minister de beoordeling zorgvuldig had gemotiveerd. De vermoedens van aanrijding en vergiftiging door een groep werden niet aannemelijk gemaakt. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard vanwege ongeloofwaardige identiteit en onvoldoende aannemelijkheid van het asielmotief.