ECLI:NL:RBDHA:2024:19264

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 november 2024
Publicatiedatum
21 november 2024
Zaaknummer
NL24.37466
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 Vreemdelingenwet 2000Art. 29 Vreemdelingenwet 2000Art. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 3.6a Vreemdelingenbesluit 2000Artikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag mvv nareis wegens ontbreken asielvergunning referent

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) op grond van nareis bij hun referent, die een reguliere verblijfsvergunning heeft en geen asielvergunning. De minister wees de aanvraag af omdat de voorwaarden voor nareis niet zijn vervuld. Eisers stelden dat de minister ook had moeten toetsen aan artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), maar de rechtbank oordeelde dat dit niet verplicht is wanneer de referent geen asielvergunning heeft.

De rechtbank benadrukte dat de minister zijn beleid consistent toepast en dat een ambtshalve 8 EVRM-toets veel capaciteit kost en niet bedoeld is voor aanvragen buiten het nareiskader. Eisers hadden de mogelijkheid om een reguliere aanvraag in te dienen, waardoor het recht op gezinshereniging niet onredelijk wordt belemmerd. De rechtbank verwierp ook het verwijt van onzorgvuldigheid, omdat eisers tijdens de bezwaarprocedure op de hoogte waren van de vereiste asielvergunning en de minister voldoende informatie heeft verstrekt.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het griffierecht en proceskostenvergoedingen af. De uitspraak werd mondeling op zitting gedaan en biedt partijen de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-nareisaanvraag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.37466
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eisers 1] , [eiseres 2] en [eiser] , eisers,

V-nummers: [nummers]
(gemachtigde: mr. A.S. Sewman),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: B.H. Wezeman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een mvv [1] op grond van nareis bij [naam] (referente).
1.1.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 30 juni 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 augustus 2024 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep van eisers op 21 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eisers en hun gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. De rechtbank legt dat hierna uit.

Overwegingen

3. Referente heeft een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, verleend met ingang van 12 februari 2021 en geldig tot 12 februari 2026. [2]
4. Op 24 januari 2023 heeft referente voor haar (gestelde) dochters en zoon een aanvraag tot het verlenen van een mvv nareis. De aanvraagformulieren die eisers hiervoor hebben gebruikt zijn aanvragen die zien op gezinshereniging als een vreemdeling een verblijfsvergunning asiel heeft. [3] Partijen verschillen niet van mening dat referente geen verblijfsvergunning asiel heeft en dus niet onder de voorwaarden valt die de wet daarvoor heeft gesteld.
5. Eisers voeren aan dat de minister ook had moeten doortoetsen aan artikel 8 van Pro het EVRM. [4]
6. De rechtbank volgt eisers daarin niet. De minister heeft namelijk in het besluit deugdelijk gemotiveerd waarom in dit geval niet aan artikel 8 van Pro het EVRM wordt getoetst. [5] De minister wil voorkomen dat de nareisprocedure wordt gebruikt voor doelen waar deze procedure niet voor is bedoeld. Bijvoorbeeld een (gratis) artikel 8 EVRM Pro-toets voor aanvragers die buiten het nareiskader vallen. Daarbij heeft de minister ook uitgelegd dat een 8 EVRM-toets veel tijd en capaciteit kost. Dit gaat dan ten koste van de behandeling van andere nareisaanvragen. Bovendien zijn er grote achterstanden bij het beslissen op nareisaanvragen van mensen die wel onder de doelgroep van nareis vallen. De rechtbank betrekt hierbij ook dat het eisers vrij stond om op elk moment een reguliere aanvraag te doen. Het recht op gezinshereniging wordt referente daarmee in de praktijk niet moeilijk of onmogelijk gemaakt. De rechtbank wijst er ook op dat de handelswijze van de minister consistent is met zijn beleid uit het openbaar informatiebericht 2024/7. [6] In dit geval wordt door referente niet voldaan aan het vereiste dat een asielvergunning nodig is. De minister toetst dan volgens het informatiebericht niet ambtshalve door aan artikel 8 van Pro het EVRM. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Tot slot voeren eisers - kort gezegd - aan dat zij nu tijd hebben verloren. De minister heeft eisers er pas tijdens de beslissing op bezwaar, een jaar na het ingediende bezwaarschrift, op gewezen dat zij een andere aanvraag hadden moeten indienen. Daardoor heeft een inwilliging straks een latere ingangsdatum. Eisers wijzen daarbij ook op een andere nareiszaak van het kantoor van de gemachtigde van eisers, waarin de minister wel heeft aangeboden om alsnog de juiste aanvraag in te dienen en leges te voldoen. Dit maakt dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen volgens eisers.
8. De rechtbank vindt niet dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld. Dat eisers zelf geen aanvraag hebben gedaan voor een reguliere verblijfsvergunning 8 EVRM komt in dit geval voor hun eigen rekening en risico. Eisers waren in ieder geval tijdens de bezwaarprocedure al op de hoogte dat een verblijfsvergunning asiel (voor referente) nodig is voor de aanvraag die zij hebben gedaan. Dit hebben zij namelijk zelf opgeschreven in hun bezwaarschrift. Daarnaast staat op het aanvraagformulier duidelijk vermeldt aan welke voorwaarden zij dienen te voldoen. De enkele opmerking in het beroepschrift dat de aanvraag door VWN [7] is ingediend, maakt dit niet anders. Daarbij heeft de minister voldaan aan zijn informatieplicht door in de beslissing op bezwaar te wijzen op de wijze waarop de vreemdeling mogelijk alsnog in aanmerking kan komen voor gezinshereniging. Dat de minister in een andere zaak uit coulance heeft aangeboden om in die specifieke zaak de nareisaanvraag alsnog om te zetten naar een artikel 8 EVRM Pro-aanvraag, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat de minister dat ook in deze zaak verplicht was te doen. De beroepsgrond slaagt niet.
9. Dit betekent dat de minister in dit geval deugdelijk heeft gemotiveerd waarom niet is getoetst aan artikel 8 van Pro het EVRM. De minister heeft daarom het bezwaar terecht als kennelijk ongegrond afgewezen en heeft van horen mogen afzien.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
11. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 november 2024 door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van A.P. Kuiters, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Machtiging tot voorlopig verblijf.
2.Op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 3.6a eerste lid van het Vreemdelingenbesluit 2000.
3.Artikel 29, tweede lid van de Vw en artikel 28 van Pro de Vw.
4.Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 december 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4804).
6.Informatiebericht 2024/7 ‘Ambtshalve doortoetsen aan 8 EVRM bij nareis’.
7.Vluchtelingenwerk Nederland.