Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2024:19357

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 november 2024
Publicatiedatum
22 november 2024
Zaaknummer
23/6150
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 WhtArt. 9.1 WhtArt. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing overneming private schulden kinderopvangtoeslagaffaire

Eiseres, gedupeerde ouder in de kinderopvangtoeslagaffaire, verzocht om overneming van drie private geldschulden door Sociale Banken Nederland. Deze schulden waren niet vastgelegd in een notariële akte, wat volgens de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) een vereiste is. De minister van Financiën wees het verzoek af en zag geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen.

Eiseres voerde aan dat de hardheidsclausule wel toegepast had moeten worden vanwege de schrijnende situatie waarin zij en haar gezin verkeerden. Door de toeslagenaffaire raakte zij in financiële problemen, werd geconfronteerd met dwanginvorderingen, verloor haar baan en leefde het gezin in armoede. Haar dochter overleed op jonge leeftijd aan een dubbele longontsteking. Eiseres kon geen banklening krijgen en was aangewezen op privéleningen die nu een zware emotionele last vormen.

De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet van de eis van een notariële akte wordt afgeweken. De bijzondere omstandigheden en de impact op het gezin van eiseres rechtvaardigen toepassing van de hardheidsclausule. Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit en beveelt een nieuw besluit met inachtneming van deze uitspraak. Tevens moet de minister het griffierecht en proceskosten vergoeden.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de overneming van private schulden wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/6150

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2024 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. L.N. Huizenga),
en

de minister van Financiën, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Polat).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar verzoek om overneming van drie private geldschulden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 26 januari 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 augustus 2023 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres en haar gemachtigde deelgenomen, evenals de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde ouder ten gevolge van de toeslagenaffaire. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) komen gedupeerden in aanmerking voor betaling van hun private schulden en compensatie van de afgeloste private schulden als die voldoen aan de vereisten van de Wht. Om financiële problemen het hoofd te bieden is eiseres persoonlijke leningen aangegaan bij drie natuurlijke personen uit haar omgeving. Eiseres heeft verzocht om deze schulden te laten overnemen en afbetalen door Sociale Banken Nederland (SBN). Dit verzoek is afgewezen, omdat de schulden niet zijn vastgelegd in een notariële akte en verweerder ziet geen aanleiding om de hardheidsclausule uit de Wht toe te passen.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Het beroep van eiseres concentreert zich volledig op de hardheidsclausule. Volgens eiseres had verweerder met toepassing van deze clausule moeten afwijken van de eis dat de schuld uit een notariële akte moet blijken. Het vasthouden aan deze eis is onevenredig. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat als gevolg van de kinderopvangtoeslagenaffaire het gezin van eiseres hevig is getroffen. Verzoeken om betalingsregelingen zijn genegeerd en het gezin van eiseres is geconfronteerd met dwanginvorderingen. Eiseres is daardoor in een problematische situatie terechtgekomen, waarbij schulden zich hebben opeengestapeld en haar gezin werd afgesloten van water, gas en elektriciteit. Zij verloor haar baan en het gezin werd afhankelijk van de voedselbank. Als gevolg van een verzwakte gesteldheid is de dochter van eiseres op 14-jarige leeftijd overleden aan een dubbele longontsteking. Eiseres heeft in deze situatie veel geld moeten lenen om in de kosten van het bestaan te voorzien. Zij kon geen banklening afsluiten en was aangewezen op privé-leningen. Doordat eiseres blijft vastzitten aan deze schulden wordt zij emotioneel zwaar belast en belemmerd in het maken van een nieuwe start. Eiseres verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland [1] en stelt zich op het standpunt dat verweerder de relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de hardheidsclausule niet volledig heeft betrokken en gewogen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Private schulden van gedupeerde ouders van de kinderopvangtoeslagaffaire kunnen worden overgenomen als is voldaan aan de voorwaarden in hoofdstuk 4 van de Wht. Voor informele schulden, zoals in deze zaak aan de orde, is vereist dat de rechtshandeling is vastgelegd in een notariële akte. [2] Niet in geschil is dat daaraan niet is voldaan. In deze zaak staat alleen ter discussie of verweerder van deze voorwaarde had moeten afwijken op grond van de hardheidsclausule.
5. Verweerder is op grond van de hardheidsclausule bevoegd om af te wijken van de eis dat de informele schuld in een notariële akte is vastgelegd, als toepassing daarvan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. [3] De hardheidsclausule is bedoeld voor bijzondere situaties die niet zijn voorzien en waarin toepassing van de wettelijke bepaling zou leiden tot een zeer onbillijke uitkomst. [4]
6. Verweerder heeft geen reden gezien tot toepassing van de hardheidsclausule. Daartoe is in het bestreden besluit overwogen dat niet is gebleken dat de privéschulden ‘dusdanig drukken’ op de financiële positie van eiseres. Daarnaast heeft verweerder overwogen dat het overlijden van de dochter van eiseres weliswaar uitzonderlijk treurig is, maar dat dit niet te maken heeft met een onevenredige uitwerking van het besluit.
7. De rechtbank is van oordeel dat deze motivering van verweerder tekortschiet.
Eiseres heeft in bezwaar tijdens de hoorzitting aangegeven dat de terugvorderingen ten aanzien van de kinderopvangtoeslag hebben geleid tot geldproblemen, waardoor er weinig tot geen geld was voor de huur, het water, gas en voedsel. De twee dochters van eiseres zijn hierdoor in grote armoede opgegroeid. Op 15 november 2014 is dochter Emma overleden aan een dubbele longontsteking door een lage weerstand, ondervoeding en kou. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat zij geen banklening kon afsluiten en dat zij daarom wel schulden moest maken bij personen uit haar naaste omgeving. Dit was volgens eiseres een dringende noodzaak, tegen de achtergrond van een uitzonderlijk schrijnende gezinssituatie, waarin zij niet zelfstandig in de meest elementaire basisbehoeften van haar gezin kon voorzien. Ook nu nog heeft eiseres te maken met schulden, omdat zij oude schulden probeert af te lossen. In het licht van deze aangevoerde omstandigheden, had nader moeten worden gemotiveerd waarom wordt vastgehouden aan de eis van een notariële akte .
8. Het bestreden besluit is dan ook ondeugdelijk gemotiveerd. De rechtbank zal het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht vernietigen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder moet een nieuw besluit op bezwaar nemen met inachtneming van deze uitspraak.
10. Verweerder moet daarnaast het griffierecht aan eiseres vergoeden. Ook moet verweerder een vergoeding voor de proceskosten van eiseres betalen ter hoogte van
€ 1.750,-. [5]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar moet nemen;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres het griffierecht van € 184,- vergoedt;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een proceskostenvergoeding betaalt van € 1.750,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. D.C. van Genderen, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van 20 augustus 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:3247.
2.Wht, artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b.
3.Op grond van de Wht, artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a.
4.Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 162.
5.In beroep heeft de gemachtigde een beroepschrift ingediend en aan de zitting van de rechtbank deelgenomen, waarvoor twee punten zijn toegekend met wegingsfactor 1 en een waarde van € 875,- per punt.