ECLI:NL:RBDHA:2024:19368

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 september 2024
Publicatiedatum
22 november 2024
Zaaknummer
C/09/672434 / KG ZA 24-855
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WthArt. 3:4 AwbArt. 6, tweede lid WthArt. 8:75, eerste lid AwbArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging verlengingsbesluit huisverbod wegens strijd met evenredigheidsbeginsel

Verzoeker kreeg op 30 augustus 2024 een huisverbod opgelegd door de burgemeester van Den Haag vanwege een dreiging van gevaar in de woning. Dit verbod werd op 6 september 2024 verlengd tot 27 september 2024. Verzoeker stelde beroep in tegen deze verlenging en vroeg om een voorlopige voorziening.

De rechtbank oordeelde dat het oorspronkelijke huisverbod terecht was opgelegd, maar dat de verlenging niet in redelijkheid kon worden gehandhaafd. De verlenging was gebaseerd op het ontbreken van veiligheidsafspraken, maar dit was te wijten aan de zus van verzoeker die niet wilde meewerken aan hulpverlening. De rechtbank vond dat deze situatie niet ten koste mocht gaan van verzoeker.

Daarom werd het verlengingsbesluit vernietigd. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat de rechtbank al op het beroep had beslist. Verweerder, de gemeente Den Haag, werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker.

Uitkomst: Het verlengingsbesluit van het huisverbod wordt vernietigd wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel.

Uitspraak

Rechtbank Den haag
Voorzieningenrechter
Rekestnummers: KG ZA 24-855 (voorlopige voorziening) en FA RK 24-6590 (hoofdzaak)
Zaaknummers: C/09/672434 (voorlopige voorziening) en C/09/672432 (hoofdzaak)

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

Gedaan op 17 september 2024
Naar aanleiding van het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en met toepassing van artikel 8:86 van Pro die wet op het beroep van:

[eiser] ,

verzoeker, tevens eiser,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
gemachtigde: mr. J.P. van Rossum te Den Haag,
tegen

de burgemeester van de gemeente Den Haag,

verweerder.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de zus] ,

de zus,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

IProcedure

Bij besluit van 30 augustus 2024 heeft verweerder aan verzoeker een huisverbod ingevolge artikel 2 van Pro de Wet tijdelijk huisverbod Wth) opgelegd, van 30 augustus 2024 (15.12 uur) tot en met 9 september 2024 (15.12 uur), ter zake van de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaatsnaam] , tevens inhoudend een contactverbod met de aldaar woonachtige zus.
Bij besluit van 6 september 2024 heeft verweerder het huis- en contactverbod verlengd tot 27 september 2024 (15.12 uur).
Tegen dit laatste besluit heeft verzoeker beroep ingesteld alsmede een verzoek om een voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter ingediend.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2024. Aanwezig waren verzoeker, bijgestaan door zijn gemachtigde, [naam 1] namens verweerder en [naam 2] namens Veilig Thuis.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden daarvan luiden als volgt.

II Beoordeling

In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, Wth kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9 van Pro deze wet.
Ingevolge artikel 6, tweede lid, Wth betrekt de rechter bij de beoordeling van het huisverbod tevens de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het opleggen van het huisverbod.
Ingevolge artikel 9, eerste lid, Wth kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet.
Standpunt verzoeker
Verzoeker betoogt dat het verlengingsbesluit ten onrechte aan hem is opgelegd. Volgens verzoeker heeft hij zoveel als mogelijk zijn medewerking verleend aan de hulpverlening en het maken van afspraken. Het is te wijten aan de opstelling van zijn zus dat er nog geen veiligheidsafspraken zijn gemaakt, omdat zij geen netwerkgesprek wil. In het verleden zijn er eerder na bemiddeling afspraken gemaakt over de omgang tussen verzoeker en zijn zus om conflicten te voorkomen, maar het was telkens de zus die zich hier niet aan hield en conflicten initieerde en liet escaleren. Verzoeker ziet niet in waarom zijn zus niet tijdelijk het huis kan verlaten, aangezien zij de verlenging heeft veroorzaakt. Verzoeker heeft een vorm van autisme en ADHD, waardoor ontwrichtingen van zijn leefomgeving zeer ontregelend werken. Daarnaast kan hij momenteel zijn opleiding niet volgen, omdat zijn IT-apparatuur hiervoor in de woning staat en dit niet zomaar verplaatst kan worden. Verder geeft verzoeker aan dat hij de eerste tien dagen bij zijn vriendin kon verblijven, maar dat dit niet mogelijk is voor een langere periode.
Standpunt verweerder
Verweerder stelt zich onder verwijzing naar het bestreden besluit, de stukken en het verweerschrift op het standpunt dat het huisverbod terecht is verlengd. Volgens verweerder zijn verzoeker en zijn zus beide agressoren. Verzoeker heeft een relatie en kon bij haar verblijven, wat de beste tijdelijke oplossing bood. Ten tijde van de verlenging had er nog geen netwerkgesprek plaatsgevonden en waren er nog geen veiligheidsafspraken gemaakt. De verlenging van het huisverbod was noodzakelijk om de veiligheid van alle betrokkenen te kunnen waarborgen. Op dit moment verblijft de zus van verzoeker elders. Dit betekent volgens verweerder niet dat het huisverbod opgeheven kan worden, omdat niet duidelijk is of en wanneer de zus terug komt.
Toetsing verlenging van het huisverbod (6 september 2024)
De voorzieningenrechter constateert dat verzoeker alleen beroep heeft ingesteld tegen de verlenging van het huisverbod en dat verzoeker tegen de oorspronkelijke oplegging van het huisverbod geen rechtsmiddel heeft ingesteld. De voorzieningenrechter gaat er dan ook van uit dat verweerder bij de oorspronkelijke oplegging terecht heeft geoordeeld dat sprake was van een situatie zoals bedoeld in artikel 2 Wth Pro. Nu moet gelet op artikel 9 Wth Pro in de eerste plaats worden bezien of op het moment van het nemen van het bestreden besluit nog steeds sprake was van een dergelijke situatie.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter was op het moment van verlenging nog immer sprake van dreiging van gevaar of het ernstige vermoeden daarvan, omdat er nog geen veiligheidsafspraken waren gemaakt. Verweerder was dus bevoegd het huisverbod te verlengen.
Daarna beoordeelt de voorzieningenrechter terughoudend of verweerder in alle redelijkheid, alle belangen afwegend, gebruik heeft kunnen maken van die bevoegdheid. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kon verweerder niet in redelijkheid van de bevoegdheid gebruikmaken tot verlenging van het huisverbod dat was opgelegd aan verzoeker.
Voorop wordt gesteld dat volgens vaste jurisprudentie als uitgangspunt geldt dat als geen veiligheidsafspraken kunnen worden gemaakt, verweerder doorgaans de belangen van de achterblijver zwaarder mag laten wegen dan de belangen van de uithuisgeplaatste. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat in dit geval de door verweerder gemaakte belangenafweging in strijd is met het in artikel 3.4, tweede lid, Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel en overweegt daartoe het volgende. In dit geval was het feit dat er nog geen veiligheidsafspraken waren gemaakt volledig te wijten aan de zus van verzoeker. Zij reageerde niet op oproepen van de betrokken hulpverlening en gaf aan dat zij rust wilde en een netwerkgesprek te vroeg vond. De rechtbank is van oordeel dat de weigerachtige houding van de zus niet voor rekening van verzoeker mag komen, maar voor rekening van verweerder moet komen. Aan verzoeker kon dan ook niet het verwijt worden gemaakt dat de onveilige situatie voortduurde, zodat de belangenafweging niet in zijn nadeel mocht uitvallen.
Het betoog slaagt. Het verlengingsbesluit wordt vernietigd, omdat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken (artikel 3:4 van Pro de Awb).
Omdat de voorzieningenrechter heeft beslist op het beroep is er geen reden meer om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
Proceskostenveroordeling
De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op
€ 1.750,- (1 punt voor het verzoekschrift in combinatie met het beroepsschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875,- en wegingsfactor 1).

III Beslissing

De voorzieningenrechter:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het verlengingsbesluit;
wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af;
veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.750,- en wijst de gemeente Den Haag aan als de rechtspersoon die deze kosten aan verzoeker moet vergoeden.
Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2024 door mr. C. de Jong-Kwestro, rechter, bijgestaan door mr. P.M.A. van Oosten als griffier.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan – voor zover daarin is beslist in de hoofdzaak met het rekestnummer FA RK 24-6590 – binnen zes weken van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Afschrift verzonden op: