ECLI:NL:RBDHA:2024:19376
Rechtbank Den Haag
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Vernietiging huisverbod wegens onvoldoende belangenafweging door gemeente
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van verzoeker tegen een huisverbod opgelegd door de burgemeester van Zoetermeer op grond van de Wet tijdelijk huisverbod (Wth). Het huisverbod gold van 9 tot en met 19 oktober 2024 en betrof de woning waar verzoeker samen met zijn vader woont. De relatie tussen verzoeker en zijn partner was verbroken, waarbij de partner niet meer in de woning verbleef.
Verzoeker stelde dat het huisverbod onredelijk was omdat de partner niet in de woning stond ingeschreven en er sprake was van wederzijdse agressie. De partner had ongevraagd geweld gebruikt en daarna aangifte tegen verzoeker gedaan, welke zaak was geseponeerd. De gemeente beriep zich op eerdere huisverboden en de noodzaak van rust en hulpverlening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het huisverbod op zich op grond van feiten en omstandigheden kon worden opgelegd, maar dat de belangenafweging door de gemeente onvoldoende was onderbouwd. De gemeente kon niet aantonen welke hulpverlening van de reclassering noodzakelijk was en of de partner daadwerkelijk geen verblijfplaats had. Daarom werd het besluit vernietigd. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat onmiddellijke uitspraak in de hoofdzaak was gedaan.
De gemeente werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €1.750,- aan verzoeker. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het huisverbod wordt vernietigd wegens onvoldoende onderbouwde belangenafweging; het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.