ECLI:NL:RBDHA:2024:19629
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel niet-ontvankelijk wegens vertrek zonder bekend verblijf
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister is geweigerd op grond van artikel 31 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank heeft het beroep samen met het verzoek om een voorlopige voorziening behandeld op 21 november 2024.
De kernvraag was of eiser nog procesbelang heeft bij de behandeling van zijn beroep. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder de minister te informeren over zijn verblijfplaats, wordt aangenomen dat hij geen prijs meer stelt op de aanvankelijk verzochte bescherming. Dit geldt tenzij de vreemdeling contact onderhoudt met zijn gemachtigde en daarmee aangeeft dat hij nog bescherming wenst.
De rechtbank stelde vast dat eiser op 16 augustus 2024 met onbekende bestemming is vertrokken en dat de gemachtigde sinds 3 oktober 2024 geen contact meer heeft met eiser en niet weet waar hij verblijft. Tijdens de zitting werd bevestigd dat het contact niet is hersteld. Daarom concludeert de rechtbank dat eiser geen procesbelang meer heeft en verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser zonder bekend verblijf is vertrokken en geen procesbelang meer heeft.