ECLI:NL:RBDHA:2024:19675
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot verdeling zorg- en opvoedingstaken wegens niet vaststaan bestaan kind
De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de vader tot verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van een minderjarige. Eerder was een voorlopige zorgregeling vastgesteld, maar partijen gaven hieraan geen uitvoering. De moeder stelde dat het kind nooit heeft bestaan omdat zij de zwangerschap in de zomer van 2023 had afgebroken. Zij overlegde een doorhaling van de geboorteakte en een medische verklaring ter onderbouwing.
De vader betwistte het niet-bestaan van het kind en stelde dat het kind geboren is in het Erasmus MC te Rotterdam. De rechtbank concludeerde op basis van de stukken en toelichting dat het bestaan van het kind niet langer kan worden aangenomen. Hierdoor kan de rechtbank geen zorgregeling vaststellen volgens artikel 1:253a BW.
Zelfs indien het kind zou bestaan, zou een zorgregeling niet haalbaar zijn vanwege onduidelijkheid over de verblijfplaats en het feit dat de vader het kind nooit heeft gezien. De rechtbank wijzigde de eerdere beschikking en bepaalde dat iedere partij de eigen proceskosten draagt en wees het verzoek verder af.
Uitkomst: Verzoek tot vaststelling van zorgregeling wordt afgewezen omdat het bestaan van het kind niet vaststaat.