Geopposeerde had beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. De rechtbank had op 27 september 2024 het beroep gegrond verklaard en een beslistermijn van vier weken opgelegd aan de minister van Asiel en Migratie, met een dwangsom bij overschrijding.
De minister stelde verzet in tegen deze uitspraak, stellende dat de beslistermijn nog niet was verstreken vanwege een verlenging na een Dublinclaim en dat de rechtbank ten onrechte het beroep kennelijk gegrond had verklaard.
De rechtbank oordeelt dat de beslistermijn van 15 maanden pas op 19 augustus 2024 eindigde, niet op 8 januari 2024 zoals eerder geoordeeld. Hierdoor is het verzet gegrond en vervalt de eerdere uitspraak. De procedure wordt hervat in de stand van voor die uitspraak.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank geopposeerde in de proceskosten van opposant, vastgesteld op € 437,50. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.