ECLI:NL:RBDHA:2024:1978

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 februari 2024
Publicatiedatum
19 februari 2024
Zaaknummer
NL23.33468
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbWBV 2022/22
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrondverklaring beroep tegen niet-tijdig beslissen op asielaanvraag met oplegging dwangsom

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 26 april 2022. Aanvankelijk was Nederland niet verantwoordelijk vanwege een eerdere aanvraag in Roemenië, maar na afwijzing van het terugnameverzoek werd Nederland per 29 juni 2022 verantwoordelijk voor de behandeling.

De wettelijke beslistermijn van zes maanden liep op 29 december 2022 af, maar werd met negen maanden verlengd tot 29 september 2023. Eiser stelde de staatssecretaris op 1 oktober 2023 in gebreke en diende vervolgens tijdig beroep in, dat daarom kennelijk gegrond is.

De rechtbank constateert bijzondere omstandigheden door achterstanden bij de IND en bepaalt dat verweerder binnen acht weken na uitspraak een eerste gehoor moet afnemen en binnen zestien weken daarna een besluit moet nemen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag tot maximaal €7.500 opgelegd. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van €437,50.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt opgedragen binnen gestelde termijnen een eerste gehoor af te nemen en een besluit te nemen, met oplegging van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.33468

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. R.P. Duijn),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 26 april 2022.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
2. Eiser heeft op 26 april 2022 een asielaanvraag gedaan in Nederland. Eiser had op dat moment echter al een verzoek ingediend in een andere Dublin-lidstaat, namelijk Roemenië. Op 31 mei 2022 is een terugnameverzoek aan Roemenië ingediend. Op 9 juni 2022 hebben de Roemeense autoriteiten dit verzoek afgewezen. Na een verzoek om heroverweging is het verzoek om terugname nogmaals afgewezen, op 29 juni 2022
3. Op 29 juni 2022 is eiser door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bericht dat hij alsnog wordt toegelaten tot de nationale procedure. Hierdoor is Nederland per 29 juni 2022 verantwoordelijk geworden voor de behandeling van de asielaanvraag. De wettelijke beslistermijn van zes maanden zou daarom in geval van eiser op 29 december 2022 eindigen. De staatssecretaris heeft met de inwerkingtreding van de WBV 2022/22 de beslistermijn met ingang van 27 september 2022 verlengd met negen maanden, waardoor deze voor eiseres pas op 29 september 2023 is geëindigd. Eiser heeft verweerder op 1 oktober 2023 in gebreke gesteld. Hierna zijn twee weken verstreken voordat eiser beroep heeft ingesteld. Het beroep is daarom kennelijk gegrond.
4. De rechtbank is van oordeel dat, vanwege de bij de IND ontstane achterstanden, sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. Eiser heeft nog geen gehoor gehad. Daarom zal de rechtbank, overeenkomstig een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bepalen dat verweerder binnen acht weken na bekendmaking van de uitspraak een eerste gehoor moet afnemen en binnen acht weken daarna een beslissing op de aanvraag moet nemen.
5. Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat verweerder een dwangsom van € 100 aan eiser verbeurt voor elke dag waarmee deze termijn wordt overschreden met een maximum van € 7.500.
6. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 437,50, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 875 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draag verweerder op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een eerste gehoor af te nemen.
  • draagt verweerder op om binnen zestien weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken op de asielaanvraag van eiser;
  • bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100 (honderd euro) moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt met een maximum van € 7.500 (zevenduizendvijfhonderd euro);
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 437,50 (vierhonderdzevenendertig euro en vijftig cent).
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.