Eiser, met de Turkse en Syrische nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, welke door de minister van Asiel en Migratie werd afgewezen. De rechtbank beoordeelde het beroep tegen deze afwijzing en het opgelegde terugkeerbesluit gericht op vertrek naar Turkije.
De rechtbank achtte de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig, evenals zijn militaire dienstplicht in Syrië en ervaringen met afpersing en discriminatie in Turkije. Problemen met de Turkse veiligheidsdiensten werden echter niet geloofwaardig bevonden, mede door gebrek aan objectieve bewijzen en tegenstrijdigheden in ingebrachte stukken.
De rechtbank concludeerde dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging in Syrië of Turkije had aangetoond, noch dat zijn Turkse staatsburgerschap zou worden ingetrokken of dat deportatie naar Syrië zou plaatsvinden. De ervaren discriminatie was onvoldoende ernstig om vluchtelingenstatus te rechtvaardigen.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit bleef van kracht. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling. De uitspraak bevat tevens informatie over de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.