ECLI:NL:RBDHA:2024:1992
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wijziging verblijfsdoel naar arbeid in loondienst na beëindiging gezinsrelatie
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, had een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als gezinslid, geldig tot 17 januari 2024. Na beëindiging van zijn relatie en ontbinding van het huwelijk in november/december 2022, vroeg hij op 12 december 2022 wijziging van het verblijfsdoel naar arbeid in loondienst.
De staatssecretaris wees dit af op basis van een individueel arbeidsmarktadvies van het UWV, dat stelde dat er voldoende prioriteitgenietend aanbod was voor de functie die eiser vervult. Dit leidde tot een dwingendrechtelijke weigering volgens artikel 3.31 van het Vreemdelingenbesluit en artikel 8 van Pro de Wet arbeid vreemdelingen.
Eiser voerde aan dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd en dat toetsing aan artikel 8 EVRM Pro had moeten plaatsvinden. De rechtbank oordeelde dat het UWV-advies voldoende motivering bood en dat toetsing aan artikel 8 EVRM Pro niet nodig was omdat er nog geen onherroepelijk besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning was. Wel was er een motiveringsgebrek over de mogelijkheid om de uitspraak in Nederland af te wachten, maar dit werd gepasseerd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde het bestreden besluit en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van de wijziging van het verblijfsdoel is ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd.