Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister had haar aanvraag op 25 juli 2024 afgewezen als kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om een voorlopige voorziening op 12 november 2024.
Gezien het feit dat het nog enige tijd kan duren voordat de einduitspraak in het beroep wordt gedaan, acht de voorzieningenrechter het in het belang van verzoekster en haar minderjarige kinderen noodzakelijk dat zij niet worden uitgezet zolang het beroep loopt. Daarom wordt de voorlopige voorziening toegewezen.
Daarnaast veroordeelt de voorzieningenrechter de minister tot betaling van de proceskosten van verzoekster, vastgesteld op € 1.750,-, voor de beroepsmatige rechtsbijstand verleend door een derde. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.