ECLI:NL:RBDHA:2024:19930

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 november 2024
Publicatiedatum
2 december 2024
Zaaknummer
NL24.44053
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Vreemdelingenwet 2000Art. 94 lid 6 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1a Vreemdelingenbesluit 2000Art. 83b lid 3 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel vreemdelingenbewaring

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat de duur van de vreemdelingenbewaring van zes tot zeven weken onrechtmatig was, mede vanwege de te late behandeling van het asielberoep.

De rechtbank overwoog dat het beroep tegen de afwijzende asielbeschikking binnen de wettelijke termijn van vier weken wordt behandeld en dat een overschrijding van deze termijn niet automatisch leidt tot onrechtmatigheid van de vrijheidsontnemende maatregel. Tevens werd verwezen naar een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die dit standpunt ondersteunt.

Omdat er geen andere gronden waren om de maatregel onrechtmatig te achten, werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter M.J.L. van der Waals en griffier J.R. Froma.

Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.44053

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.L. Hoogendoorn),
en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Scholtens).

Procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2024 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 19 november 2024 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 20 november 2024 op gereageerd. De rechtbank heeft op 22 november 2024 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Als de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
2. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
3. Eiser voert aan dat het beroep tegen de afwijzende asielbeschikking van 8 november 2024 niet eerder dan op 5 december 2024 ter zitting zal worden behandeld en dat de termijn als bedoeld in artikel 83b, derde lid, Vw (uitspraak binnen vier weken na indiening van beroep) zal worden overschreden. Ten tijde van de behandeling zal eiser 6 à 7 weken in vreemdelingenbewaring hebben doorgebracht. Een dergelijke duur is niet gerechtvaardigd en kan niet voor rekening en risico van eiser komen.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser op 11 november 2024 beroep heeft ingesteld tegen de afwijzende asielbeschikking. Dat betekent dat de mondelinge behandeling van eisers asielberoep plaatsvindt binnen de termijn als bedoeld in artikel 83b, derde lid, aanhef en onder c, van de Vw. Niet is uitgesloten dat de rechtbank binnen de hiervoor bedoelde termijn ook (mondeling) uitspraak doet. Bovendien maakt enkel de overschrijding van deze termijn niet dat de voortduring van de maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw op enig moment onrechtmatig wordt. De rechtbank verwijst hiertoe naar de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 28 juni 2024 [1] en oordeelt dat het tijdsverloop in de asielprocedure in dit geval niet leidt tot het oordeel dat de vrijheidsontneming langer duurt dan noodzakelijk.
6. Nu ook anderszins niet is gebleken dat de maatregel van bewaring onrechtmatig moet worden geacht, is het beroep ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2639, r.o. 5.1.