ECLI:NL:RBDHA:2024:19933

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 november 2024
Publicatiedatum
2 december 2024
Zaaknummer
NL24.44295
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Vreemdelingenwet 2000Art. 94 lid 6 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1a Vreemdelingenbesluit 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel en schadevergoeding in vreemdelingenrecht

De zaak betreft een beroep tegen een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel is op 12 november 2024 opgeheven, waarna de beoordeling zich richt op de vraag of de tenuitvoerlegging onrechtmatig was en of schadevergoeding moet worden toegekend.

Eiser stelde dat het besluit niet in een voor hem begrijpelijke taal was uitgereikt, omdat een Franse tolk werd gebruikt terwijl hij Pulaar sprak. De rechtbank concludeerde echter dat uit het proces-verbaal en de bevindingen bleek dat een beëdigde Franse tolk was ingezet en dat er geen communicatieproblemen waren vastgesteld. Er was geen bewijs dat een Pulaarse tolk noodzakelijk was.

Daarom oordeelde de rechtbank dat de maatregel niet onrechtmatig was en wees het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter M.J.L. van der Waals en is openbaar bekendgemaakt op 29 november 2024.

Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.44295

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. F. Boone),
en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Scholtens).

Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2024 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 12 november 2024 de maatregel van bewaring opgeheven.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 18 november 2024 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 21 november 2024 op gereageerd. De rechtbank heeft op 22 november 2024 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Als de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
2. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
3. Omdat de bewaring op 12 november 2024 is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. De rechtbank kan, als de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding toekennen. [1]
4. Eiser voert aan dat verweerder bij de uitreiking van het besluit gebruik heeft gemaakt van een tolk Frans. Eiser is de Franse taal echter niet voldoende machtig dus de beschikking is niet aan eiser kenbaar gemaakt in een begrijpelijke taal. Eiser had een tolk Pulaar nodig.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
5.1.
Uit het proces-verbaal gehoor en het proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel blijkt dat er gebruik is gemaakt van een beëdigde tolk Frans. Niet is gebleken dat eiser had moeten worden gehoord met een tolk Pulaar. Verder is evenmin gebleken dat op enig moment in de procedure sprake is geweest van communicatieproblemen tussen eiser en de gebruikte beëdigde tolk Frans. Dat de beschikking dan ook niet aan eiser kenbaar is gemaakt in een taal die hij begrijpt, is niet gebleken.
6. Nu ook anderszins niet is gebleken dat de maatregel van bewaring onrechtmatig moet worden geacht, is het beroep ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 106 Vw Pro.