ECLI:NL:RBDHA:2024:20010

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 november 2024
Publicatiedatum
3 december 2024
Zaaknummer
NL23.34689
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens niet-tijdig beslissen machtiging verblijf

Verzoekster stelde beroep in tegen het niet-tijdig beslissen op haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. Verweerder heeft de aanvraag uiteindelijk ingewilligd, waarna verzoekster het beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde.

De rechtbank overweegt dat een proceskostenvergoeding mogelijk is indien het bestuursorgaan geheel tegemoet is gekomen aan het beroep, maar alleen wanneer het beroep ontvankelijk is. Verweerder stelde dat verzoekster nagelaten heeft een rechtsgeldige ingebrekestelling te sturen, een vereiste volgens artikel 6:12 Awb Pro.

Verzoekster bracht wel een ingebrekestelling in, maar kon niet aantonen dat deze daadwerkelijk was verzonden, noch was een ontvangstbevestiging aanwezig. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat de ingebrekestelling rechtsgeldig was, waardoor het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Daarom is er geen grond voor proceskostenvergoeding en wijst de rechtbank het verzoek af.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen wegens het ontbreken van een rechtsgeldige ingebrekestelling en kennelijke niet-ontvankelijkheid van het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.34689

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster

v-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft op 2 november 2023 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op haar aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf, voor verblijf bij [referent] (referent).
Bij besluit van 26 januari 2024 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster ingewilligd.
Verzoekster heeft het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. [2] Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. Ondanks dat verweerder niet binnen de hiervoor geldende termijn op de aanvraag van verzoekster heeft besloten, deze aanvraag hangende een beroep tegen het niet tijdig beslissen is ingewilligd en verweerder geheel aan het beroep van verzoekster is tegemoetgekomen, ziet de rechtbank aanleiding het verzoek niet toe te wijzen, als kennelijk niet-ontvankelijk.
3. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. Verweerder heeft aan verzoekster tegengeworpen dat zij heeft nagelaten verweerder in gebreke te stellen, alvorens beroep in te stellen.
4. Verzoekster heeft een ingebrekestelling, gedateerd 3 oktober 2023, als bijlage bij de gronden van het beroepschrift niet tijdig beslissen ingebracht, maar heeft verzuimd – nu zich in het dossier evenmin een ontvangstbevestiging van verweerder van deze ingebrekestelling bevindt – om aan te tonen dat de ingebrekestelling ook daadwerkelijk is verzonden. Derhalve kan niet worden vastgesteld dat sprake is van een rechtsgeldige ingebrekestelling en zou daarmee het beroep niet-ontvankelijk zijn verklaard.
5. Er bestaat derhalve geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 29 november 2024 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Besluit proceskosten bestuursrecht.