ECLI:NL:RBDHA:2024:20015

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 december 2024
Publicatiedatum
3 december 2024
Zaaknummer
NL24.45040
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 5.1b derde lid VbArt. 5.1b vierde lid Vb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring op grond van Vreemdelingenwet

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het besluit van 14 november 2024 waarbij een maatregel van bewaring werd opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet. Eiser, van Ghanese nationaliteit, voerde aan mee te zullen werken aan terugkeer naar Ghana of een andere lidstaat.

Verweerder stelde dat er een concreet aanknopingspunt was voor overdracht volgens de Dublinverordening en dat er een significant risico bestond dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken. De rechtbank oordeelde dat de zware gronden, waaronder het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen en het onttrekken aan toezicht, feitelijk juist en voldoende onderbouwd waren. De lichte gronden zoals het ontbreken van vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan werden eveneens als voldoende beschouwd.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring rechtmatig was en wees het beroep ongegrond. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.45040

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. T. Esen),
en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Kanters).

Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 18 november 2024 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 22 november 2024 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 28 november 2024 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Ghanese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1994.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden [2] vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden [3] vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. In zijn verweerschrift heeft verweerder de zware grond 3d laten vallen, zodat deze niet langer aan de maatregel van bewaring ten grondslag ligt.
4. Eiser voert aan dat hij heeft aangegeven mee te zullen werken aan een terugkeer naar Ghana of een andere verantwoordelijke lidstaat. Voor het overige refereert eiser zich aan het oordeel van de rechtbank.
5. Wat eiser aanvoert, doet niet af aan de feitelijke juistheid van de zware gronden 3a en 3b. Nu deze gronden zich feitelijk hebben voortgedaan, konden deze gronden aan de maatregel ten grondslag worden gelegd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn ook de overige gronden feitelijk juist en voldoende toegelicht. De zware en lichte gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. De beroepsgrond slaagt niet.
6. De rechtbank ziet in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens verder ook geen grond om, ambtshalve toetsend, tot het oordeel te komen dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 2 december 2024 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.