ECLI:NL:RBDHA:2024:20049

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 juli 2024
Publicatiedatum
3 december 2024
Zaaknummer
646488
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 RvArt. 32 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herstelvonnis over correctie fouten in incasso-overeenkomst en afwikkeling dossiers

In deze civiele procedure tussen Intrum Nederland B.V. en een incassobedrijf staat de afwikkeling van incassodossiers en de uitleg van hun samenwerkingsovereenkomst centraal. Het herstelverzoek richt zich op vijf kennelijke fouten in het eerdere vonnis van 19 juni 2024, waaronder onjuiste optelsommen, verkeerde renteperiodes en een onjuiste toewijzing van vorderingen.

De rechtbank oordeelt dat drie van deze fouten eenvoudig kunnen worden hersteld: het corrigeren van het totaalbedrag van €414.866,55 naar €441.866,55, het aanpassen van de buitengerechtelijke kosten van €40.000,00 naar €40,00, en het corrigeren van de renteperiode van 31 december 2021 naar 31 december 2022. Daarnaast wordt de toewijzing van vorderingen beperkt tot dossiers die na de dagvaarding zijn afgewikkeld.

Intrum betwist dat zij afstand heeft gedaan van de renteaanspraken en dat er sprake is van een kennelijke fout op dat punt. De rechtbank wijst het herstelverzoek voor dit onderdeel af. Het vonnis wordt op de genoemde punten hersteld en de partijen worden verplicht om de vonnissen te retourneren aan de griffie.

Uitkomst: De rechtbank herstelt het vonnis van 19 juni 2024 op meerdere punten en wijst het herstelverzoek deels toe.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/646488 / HA ZA 23-361
Herstelvonnis van 31 juli 2024
in de zaak van
INTRUM NEDERLAND B.V., te Amsterdam,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. I.S. Oosterhoff te Amsterdam,
tegen
[bedrijf] B.V., handelend onder de naam ‘ [naam] ’, te [vestigingsplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. J.I. van Vlijmen te Den Haag.
Partijen zullen hierna Intrum en [bedrijf] genoemd worden.

1.Het verzoek tot herstel

1.1.
Op 10 juli 2024 heeft mr. J.I. van Vlijmen namens [bedrijf] de rechtbank verzocht om herstel van vijf kennelijke fouten in het op 19 juni 2024 in deze zaak gewezen vonnis. Het verzoek betreft de volgende vijf punten.
1. Overweging 4.29 bevat een onjuiste optelsom. Er staat € 414.866,55 terwijl de uitkomst van de optelsom in voetnoot 1 € 441.866,55 is. In 5.1 moet € 414.866,55 dus ook worden hersteld in € 441.866,55.
2. In 5.1 heeft de rechtbank voor buitengerechtelijke kosten € 40.000,00 bij de hoofdsom opgeteld in plaats van € 40,00, zoals in 4.48 is bepaald. In 5.1 moet
€ 454.866,55 dus worden hersteld in € 441.906,55.
3. In 5.1 veroordeelt de rechtbank [bedrijf] tot betaling van de contractuele rente vanaf 31 december 2021, waar dit 31 december 2022 moet zijn.
4. Ter zitting heeft Intrum afstand gedaan van haar aanspraak op de contractuele rente. De rechtbank is hieraan voorbij gegaan door bij haar oordeel de contractuele rente toe te wijzen. Het vonnis moet op dit punt worden aangevuld.
5. In 5.2 wijst de rechtbank meer toe dan er is gevorderd. Intrum heeft namelijk gevorderd dat er wordt afgerekend over alle na datum dagvaarding afgewikkelde dossiers. In 4.35 overweegt de rechtbank ook dat de vordering wordt toegewezen:
Omdat over de dossiers die [bedrijf] nog onder zich had toen de dagvaarding werd uitgebracht nog niet correct is afgerekend.”.
1.2.
Mr. I.S. Oosterhoff heeft op 12 juli 2024 namens Intrum medegedeeld dat de onder 1.1 weergegeven punten 1, 2 en 5 wat Intrum betreft inderdaad kennelijke fouten zijn die zich lenen voor eenvoudig herstel. Van punten 3 en 4 meent Intrum dat er geen sprake is van kennelijke fouten als bedoeld in artikel 31 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
1.3.
Ten aanzien van punt 3 meent Intrum dat rectificatie van de kennelijke verschrijving in 4.32 van het vonnis van 19 juni 2024 niet noodzakelijkerwijs zou moeten leiden tot aanpassing van het dictum. Dat zou pas kunnen als de rechtbank van oordeel is dat ook met een juiste voorstelling van de datum van de sommatiebrief het verlopen van de daarin genoemde termijn als startdatum van de rente zou moeten gelden. Voor die afweging is binnen de kaders van artikel 31 of Pro 32 Rv geen plaats, aldus Intrum. Ten aanzien van punt 4 merkt Intrum op dat zij ter zitting geen afstand heeft gedaan van enige renteaanspraak. Van een kennelijke fout van de rechtbank is dan ook geen sprake.

2.De beoordeling

2.1.
De mogelijkheid van herstel van een vonnis op basis van artikel 31 Rv Pro bestaat voor kennelijke fouten die zich voor eenvoudig herstel lenen.
2.2.
Dat in randnummer 4.29 van het vonnis € 414.866,55 staat, terwijl de uitkomst van de optelsom in voetnoot 1 van het vonnis € 441.866,55 is, is een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. Dat betekent dat ook het bedrag in 5.1 overeenkomstig moet worden aangepast. De rechtbank zal het verzoek in zoverre dan ook toewijzen.
2.3.
Dat de rechtbank in randnummer 5.1 voor buitengerechtelijke kosten € 40.000,00 bij de hoofdsom heeft opgeteld in plaats van € 40,00, zoals in 4.48 van het vonnis van
19 juni 2024 is overwogen, is een kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel. In 5.1 moet € 454.866,55 worden hersteld in € 441.906,55. De rechtbank zal het verzoek in zoverre dan ook toewijzen.
2.4.
In 5.2 wijst de rechtbank als gevolg van een kennelijke fout inderdaad meer toe dan er is gevorderd. In lijn met 4.35 van het vonnis van 19 juni 2024 moet de vordering worden toegewezen voor zover het de na datum dagvaarding afgewikkelde dossiers betreft.
2.5.
In 5.1 veroordeelt de rechtbank [bedrijf] tot betaling van de contractuele rente vanaf 31 december 2021, waar dat vanaf 31 december 2022 moet zijn. In 4.32 en 4.34 gaat de rechtbank ter bepaling van die startdatum van de rente uit van de in 2.11 genoemde sommatiebrief van “30 november 2021”, terwijl de brief waar de rechtbank op doelt dateert van 30 november 2022. De rechtbank zal het verzoek tot herstel van [bedrijf] voor dit onderdeel toewijzen.
2.6.
Zoals Intrum in haar reactie op het herstelverzoek van [bedrijf] naar voren heeft gebracht, heeft zij ter zitting geen afstand gedaan van enige renteaanspraak. Van een kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel is wat dat betreft al geen sprake. Voor zover [bedrijf] meent dat het oordeel van de rechtbank over toewijzing van de contractuele rente lijdt aan een motiveringsgebrek, leidt dat niet tot de conclusie dat sprake is van een kennelijke fout of dat het vonnis moet worden aangevuld. De rechtbank zal het verzoek wat dit onderdeel betreft afwijzen.

3.Beslissing

De rechtbank:
3.1.
herstelt het vonnis van 19 juni 2024 als volgt:
 in rechtsoverweging 4.29 en 5.1 van het vonnis wordt ‘€ 414.866,55’ veranderd in:
€ 441.866,55,
 in rechtsoverwegingen 2.11, 4.32, 4.34 en 5.1 van het vonnis wordt ‘2021’ veranderd in:
2022,
 rechtsoverweging 5.2 van het vonnis van wordt verbeterd zodat daar staat:
“[5.2.] veroordeelt [bedrijf] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis over alle na datum dagvaarding (5 april 2023) afgewikkelde dossiers af te rekenen volgens de overeenkomst, zoals uitgewerkt in dit vonnis onder 4.35,”,
3.2.
bepaalt dat deze verbeteringen onder de vermelding van de datum 31 juli 2024 worden vermeld op de minuut van het vonnis van 19 juni 2024,
3.3.
wijst af het meer of anders verzochte,
3.4.
gelast elk van partijen, voor zover zij dit niet reeds hebben gedaan, de ontvangen grosse dan wel het ontvangen afschrift van het vonnis van 19 juni 2024 na ontvangst van deze herstelbeslissing aan de griffie van de rechtbank te retourneren.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Schueler en in het openbaar uitgesproken op
31 juli 2024. [1]

Voetnoten

1.type: